Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen de tegenwoordige koningin nog maar een heel klein meisje was, dat de stad, waarin hij woonachtig was, de eer genoot van een vorstelijk bezoek van moeder en kind. Natuurlijk was de hele stad in feestdos gehuld, — 's avonds schitterende illuminatie en muziek op de markt.

Hij had, gedreven door een inzicht, dat den lezer niet meer geheel vreemd kan zijn, zich rustig buiten dat alles gehouden, maar kon, jong als hij was, zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen om later op de avond toch eens even een kijkje te nemen. En plotseling werd hij, eenmaal te midden der massa beland, overweldigd door zulk een gevoel van religieuze vertedering, dat hem de tranen in de ogen opwelden, en het verwonderlijke was dat dit gepaard ging met een zodanige agressiviteit, dat, indien daar iemand naast hem had gestaan, die ook maar het geringste blijk had gegeven van met dit alles niet te sympathiseren, hij in staat zou zijn geweest hem op staande voet dood te slaan!

Wat is toch de mens!

Want enige maanden tevoren had in diezelfde stad Domela Nieuwenhuis een spreekbeurt te vervullen in een klein cafétje, maar de „echte Oranjeklanten" waren gekomen en hadden de vergadering uitééngejaagd; de oude Domela had over de daken der naburige huizen de vlucht moeten nemen, en de ganse inventaris, — stoelen en tafels, flessen en glazen — was de straat opgesleept en kort en klein geslagen. Schoon zelf allesbehalve „anarchist", had hij, toen hij aan die ruïne voorbijkwam, zich over deze geweldenarij verontwaardigd en bedroefd gevoeld, maar nu bevond hij, hoe weinig er misschien

Sluiten