Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontknooping van Genesius gebonden lijken aan een voorbijgegane periode der geschiedenis. Alleen: dat raakt den tragischen kern van „Genesius" niet. Want niet zijn dood is tragisch, maar zijn leven.

Nu moge het waar zijn, dat een tragisch conflict als het ware van zelf naar den ondergang toe stuwt, daarom geldt nog niet minder, dat het leven tragischer zijn kan de dood. Neem b. v. Hamlet. Zeg, dat hij is de geboren twijfelaar. Noem zijn ellende die der al te scrupuleuze besluiteloosheid. Dan is de dóód van Hamlet, mitsgaders die van Laërtes, Koning Claudius, en zijn moeder, uiterst willekeurig. Natuurlijk grijpt alles wel in elkaar, maar de tragiek van Hamlet wordt door zijn dood slechts afgesneden, niet opgelost, niet verzoend, niet verklaard, op geenerlei wijze gerechtvaardigd. *) De dood zal wel van alle zware tragische spanningen de theatraal best bruikbare oplossing wezen. Maar er is een tragiek in het leven zelf, los van dramatische bewerkingen en eischen van tooneeleffect".

Dit tragische conflict schuilt in het leven van den tooneelspeler Genesius als zoodanig. Ik meen, dat Ghéon het ook zoo bedoeld moet hebben, blijkens den ondertitel „1'acteur pris a son jeu". 2) Het is de macht der verbeelding over de werkelijkheid en de innerlijke spanning tusschen verbeelding en werkelijkheid, die voor dit stuk den grondstof opleveren. Daarmee is het algemeen tragische, dat den mensch in en door zijn menschzijn aankleeft, verbizonderd tot het tragische in het bestaan van den tooneelspeler: spel en werkelijkheid zijn niet blijvend van elkaar te scheiden; de sferen

1) Uitgebreide analyse van deze overweging geeft E. Lucka. in „von den Grenzen der Seele" Bd. I. S. 73—74.

2) Versterkt wordt deze meening nog door de anecdote, die Ghéon in de voorrede vertelt, p. VIII—XI.

Sluiten