Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en trekt, gezeten op het ezelsveulen, onder het Hosannageroep der scharen, in Jeruzalem binnen. Dit is een spel van gemaskerd leed. Er steekt veel régie in deze „joyeuse entrée". Misleidend is het als voorspel van de groote tragedie, geheel gehouden in den trant van het voorschrift der Bergrede: „Maar Gij, als gij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht, opdat het van de menschen niet gezien worde als gij vast, maar van uwen Vader, die in 't verborgen is..Er steekt in die régie veel wanhoop .— ook een grooten moed; een sterken trots ■— ook een bittere geringschatting. Hier, indien ergens, tast men de verwantschap met den nar God's, met Emmanuel Quint, Parsifal, Vorst Myshkin, misschien zelfs met Hamlet en Don Quixote. Het heilige in deze wereld zal er altijd uitzien als een dwaasheid — wel nu: wéés dan ook een dwaas of althans: spéél! dien dwaas!

Nog een stap verder, en wij zijn weer bij den GrootInquisiteur, die den menschen hun heil wil brengen door de geweldheerschappij. En wat doet het er dan toe, of de honderdduizend priesters verdoemd worden, als maar de millioenen menschen gered zijn? Dat is de stem van Satan uit de travestie als priester, de wolf in schaapskleeren — de goddelijke comedie bij uitnemendheid, en — meer nog dan Adam in Ballingschap — „aller treurspelen treurspel". Dit satanisch uiterste wederlegt den zin van het priesterschap. Het einde van den indalenden weg der Genade wijst naar den oorsprong terug; het helsche vuur der satanische verdwazing doet smachten naar den hemelschen gloed der goddelijke verrukking. En zoo wordt ook uit deze diepte weer de wijsheid God's gerechtvaardigd, die van den god-vergeten priester een even duidelijk Teeken maakt als van den tooneelspeler-martelaar.

*

Sluiten