Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgt: „Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt; maar inzonderheid, omdat ons de H. Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; en dewijl zij ook het bewijs van dien bij zichzelven hebben: gemerkt de blinden zeiven tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden" ').

Hoezeer bij stellingen als deze, de tegenspraak nog altijd voor de hand ligt, zullen wij hier nauwelijks behoeven te betoogen. Dat de kerkelijke dogma's zoo maar te herleiden zijn tot het gezag van Jezus kan men te minder meenen, wanneer men bedenkt hoe bijvoorbeeld de opdracht om te doopen „in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes" of het bekende woord tot Petrus, die „de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen" krijgt, veeleer als een neerslag van een wordende kerkleer dan als historische Jezus-woorden zijn op te vatten. Dogmen- en kerk-geschiedenis leeren ons voldoende hoe natuurlijk en menschelijk het is toegegaan bij de wording en vaststelling van de kerkelijke dogmata; hoe in de oude kerk de meeningen en richtingen tegenover elkaar hebben gestaan totdat, niet zonder innerlijke tegenspraak en forceering der evangelische berichten, een meerderheid op de oecumenische conciliën haar wil wist door te zetten. „Auf der Synode zu Nicaa" — aldus Harnack 2) — „siegte schlieszlich, dank der ungeschickten Taktik der Arianer und Eusebianer, der Entschiedenheit der Orthodoxen und der Entschlossenheit des Kaisers das Homousios"; of — aldus von Hase — „Bedachte man, dasz auf den alten ökumenischen Synoden der H. Geist allezeit für die Meinung des kaiserlichen Hofs Partei genommen hatte, und auf denen des Mittelalters immer die Willensmeinung des Papstes zu vollziehen schien, dazu die wechselnden

*) Belijdenis des Geloofs, III en V. In „De Drie Formulieren van Eenigheid. Uitg. Dr. A. Kuyper, Amsterdam 1900.

2) D. Adolf Harnack, Dogmengeschichte. Tübingen 1914, pag. 212 enz.

Sluiten