Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mirakelen, onder onze oogen ontstaande, door Roomsche autoriteiten niet zonder zorg en weerspraak herleid worden tot suggestie en auto-suggestie, terwijl wij met de Roomsche geloovigen geen grond vinden om I.ourdes boven Beauraing uitverkoren te achten. Wij weten hoe groot het bijgeloof nog altijd is in godsdienstige kringen, hoe het gewoed heeft in de middeleeuwen en hoe oncritisch en lichtgeloovig de oudheid is geweest: de Kerkvaders Verzekeren dat alle christenen de macht bezaten om mirakelen te verrichten, dat zij de toekomst konden zien, duivelen uitwerpen, zieken genezen, dooden opwekken; Augustinus beschrijft de eigenschappen der daemonen, die krachtens hun fijne en dunne materialiteit onzichtbaar in lichaam en geest van den mensch kunnen dringen; Epiphanius weet te vertellen hoe sommige rivieren en bronnen jaarlijks worden veranderd in wijn ter getuigenis van het wonder van Kana en hoe hij zelf uit een dezer bronnen heeft gedronken; Irenaeus bericht dat Christus van het duizendjarig rijk heeft beloofd: „Kr zullen dagen komen, waarin wingerden zullen groeien elk met ioooo ranken, aan elke rank ioooo trossen, aan elke tros ioooo druiven, en elke uitgeperste druif zal geven 25 maten wijn. Plukt een der heiligen de eene druif, dan zal de andere roepen: ik ben beter, neem mij, en prijs door mij den Heer"1).

De volgens de Bijbelsche overlevering door hem zeiven bestrafte wonderzucht van Jezus' tijdgenooten was niet minder groot — „dit boos geslacht verlangt een teeken" — en van de mentaliteit van den Romeinschen keizertijd gelden de woorden van Shakespeare:

„No natural exhalation in the sky,

No scape of nature, no distempered day. No common wind, no customed event,

But they will pluck away his natural cause And call them meteors, prodigies and signs, Abortives, presages and tongues of heaven".

x) W. E. H. Lecky, History of European Morals. London 1910. Dl. I» pag. 378 vlg.; Karl von Hase, Handbuch der Protestantischen PolcmikLeipzig 1894, pag. 89; A. Graf, Naturgeschichte des Teufels, Jena; Georg Langin, Der Wunder- und Damonenglaube der Gegenwart. Leipzig 1887.

Sluiten