Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met Paradijs en .de Pcri.

Door Dl'. E. LAURILLAKD.

Voor te dragen door Mej. A. KINGLER, van Leeuwarden.

Daar stoncl een Peri, droef van ziel,

Aan d' ingang van het hemelsck Eden. Het licht, dat op haar wieken viel,

Door de openstaande poort gegleden, En 't maatgeluid vol lieflijkheden,

Dat in de verte werd gehoord,

Was haar tot smart; want de gedachte

Rees op: 't is niet voor mij, dat heerlijk oord! Maar de Engel, die de poort bewaakte,

En haar zoo droevig daar zag staan, Hij weende, als zij, een stillen traan,

Deelnemend weende hij en raakte Haar 't hoofd met zijn olijftak aan,

„Lid van een afgedwaald geslacht!" - - Zoo sprak hij tot haar, diep bewogen, —

„Nog is niet alle hoop vervlogen,

„Eén ster nog blinkt er in uw nacht.

„In 't eeuwig, ondoordringbaar woord „Van Grod, staat ook dit woord geschreven,

„Dat hij de zonde zal vergeven „Der Peri, die naar deze poort

„Het kostbaarst kleinood aan zal dragen, „De gaaf, die Hem het meest bekoort;

„Zoek op die gaaf, en kunt gij slagen, „Dan moogt gij binnen in dit oord."

Toen vloog de Peri — met de vaart

Waarmee kometen 't ruim der hemelon Doorklieven, naai' de streek der aard.

Daar zag zij onder zich het wemelen Van benden, die elkaar bekampten Als tijgers, grimmig en verwoed;

De vloed werd rood, de velden dampten,

En wat zij rook, was dood en bloed.

't Was vrijheidsmin en dwinglandsmaeht,

Die op die plaats elkaar besprongen En worstlend om de zege dongen.

Maar ach! de vrijheid, met wat kracht Zij al heur zonen mocht bezielen,

Verloor al meer. Haar dappren vielen

Sluiten