Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen scheen het, of zijn harte rouwde,

En wêemoecl in zijn ziele drong.

En 't was zoo. „Kind!" zoo zuchtte hij,

„Ik heb eenmaal als gij genoten!

„Maar, ach! die dagen zijn voorbij;

„Voor immer, immer heen gevloten! — „O! kon ik nog eens zijn als gij!" -

Daar doet van uit den lioogen toren Het luiden eener klok zich liooren,

I)ie oproept tot de avondbêe.

En 'tvroolijk kind, nog steeds in 't midden

Van zijn vermaak, knielt om te bidden, 't Is stil, als bidt de schepping mêe!

De woestaard ziet het zwijgend aan,

En in zijn wimpers hangt een traan;

Ontroering huivert door zijn leden.

„Zóó heb ik eenmaal ook gebeden!"

Dus roept hij uit, „maar 'k zweer het heden, *k Wil weer tot God, wêer bidden gaan."

Hij boog zich neder en hij bad,

Hij, die zoo laag zijn ziel bevlekte,

De man, dien zooveel schuld bedekte,

Naast 't kind, dat nog zijn onschuld had.

Toen nam de Peri een der tranen,

Die rolden langs zijn ruige koon;

Die, — dacht ze — zal den weg mij banen Tot zaligheid voor 's Heeren troon.

En toen van haar de hemeling Aan Edens poort dien traan ontving,

Toen sprak hij: „Amen! 't is volbracht! „Kom Peri! kom! de hemel wacht!

„En God zal eeuwig u beminnen!

„Daar kan niets wezen, wat nog meer

„Behagen zou aan d'Opperheer.

„Kom, Peri! ga den hemel binnen!"

Sluiten