Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kathedraal werd leeg; de Priesterschaar verdween —

De ontslapen koning lag in 't marmren graf alleen.

Daar scheen een huivring door de beeldzuil heen te loopen

Des dooden, en liij sloeg zijn oogen langzaam open.

Hij greep zijn heldenzwaard, en rees zijn praalgraf uit:

Geen tombe of kerkmuur, dat het spook verschijusel stuit.

't Zweeft over de akker Gods door 't ijzren hek naar voren,

Steeds verder — verder, tot waar beurtelings de toren

Van Aarlmus, Altona en Elseneur de spits

Omhoog heft. Op de zee lag grauwe duisternis;

Alleen de schaduw kon den stillen gang ontwaren

Van hem, een schaduw zelf, die wandelde op de baren

En verder ging hij, hoog en altijd hooger op,

Tot Skagetös-Tind, met zijn zilverwitte top.

Toen sprak hij : „Grijze berg! gij wien reeds zooveel eeuwen

Uit volle hoorne met heur zilvren dons besneeuwen,

Laat me uit den mantel, die zich om uw selioudren strekt,

Een doodskleed snijden, dat mijn naakte schim bedekt.'"

Geen weigring volgde er, en Kanoet nam van zijne zijde

't Onbreekbre zwaard, zoo vaak zijn medgezel ten strijde,

Hij hieuw zich uit de sneeuw een vlekloos doodsgewaad.

Toen sprak hij : „Oude berg die zooveel gadeslaat

En zooveel overziet.' wij dooden zijn als blinden:

,,Ik moet naar God - zeg mij hoe ik den weg kan vinden! ■'

De berg koud, roerloos van zijn sneeuwtapijt ontplooid,

Sprak: „Schim! ik weet het niet: 'k begaf mijn standplaats nooit.

Kanoet verliet de hoogte en doolde verder henen,

De kust van Norge, 't strand van Ysland is verdwenen, En door de groote stilte, en door den grooten nacht Had nu zijn eenzaam pad hem aan de grens gebracht Der menschen waereld. En de pelgrim zonder woning, De lichaamlooze schim, de onttroonde Heer en koning,

Stond voor de Oneindigheid — een deinzend voorportaal, Onzeker weemrend, en waarin de bliksemstraal Als hij er insloeg in een oogenblik verstikte.

'tAVas 't vormloos, Eeuwig Niet, en door de neevlen blikte Geen enkle ster; toch was 'tof door den baaiert heen,

Hij wist niet welk een blik strak — starend hem bescheen. Voorts, geen geluid; alleen het huivren van de golven Der duisternis, waarin de verte lag bedolven.

De schim ging voort en sprak: „Dit is het doodsgebied, Aan de overzijde is God!'' Hij riep — het baatte niet; De nacht bleef sprakeloos als onder 't grafgesteente.

De kuil, verzamelplaats van asch en lijkgebeente ƒ Daar woei geen luchtjen, dat in 't nederhangend klesd Des dooden wandelaars een plooi verschijnen deed,

Sluiten