Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.,'t Is fameus!" zoo spreekt de dandy,

En daarbij wordt uiterst net Met twee vingers en twee duimen 't Kneveltjen in krul gezet;

,,'t Is fameus vandaag, meneeren,

Etouffant is de atmotfeer!"

Men gaat waarlijk languisseeren Naar wat vocht, — mijn woord van eer!"

„Ja," zoo antwoordt hem de zeeman,

En zijn dasknoop zit al laag,

Maar hij trekt dien nog wat lager, Tot zoo wat de streek der maag;

„Erger nog as in Oostinje

Brandt de zon hier op je huid;

't Merg druipt weg uit al je knokkels: 't Pek loopt al de naden uit."

„Ja, 't is warm," zoo zegt de man nu,

iJie stil van zijn renten leeft, En wiens hals een hooge heining,

Wit en helder, om zich heeft;

,,'t Is zeer warm," vervolgt hij, — keurig,

Of 't zoo naar de drukpers moet: „Anders is de zon zoo lieflijk,

Maar thans kwelt derzelver goed."

„Stel je voorr," zoo zegt de krijger,

Trekken aan zijn kinnebaard, — Hand'ling, waar een ernstig fronsen Van het voorhoofd zich meê paart:

„Stel je voorr, 'k heb met zoon'n hitte

Eens vijf uurren gemarrcheerrd;

't Was wat! Maar - in mijn carrièrre, Dient bepaald geobediëerd."

„Nou maar," spreekt de paardenkooper,

Op zijn ouden ruzietoon, —

En zijn pet heel schuin gestooten,

Dekt zijn hoofd niet, maar zijn koon;

„Nou maar, wat wod jullie praten!

'k Leg hier de verklaring af,

Dat ik eens een dag beleefd heb, Dat een perd geen schaduw gaf."

Sluiten