Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den grootste der zondaren wijst Hij niet af, als hij geloovig tot Hem komt. Het bloed des kruises reinigt van alle zonden. Zoo gij dus vraagt: »Wat moet ik doen om zalig te worden?" wij wijzen u alleen op de offerande van den grooten en barmhartigen Hoogepriester, waarvan de Apostel Paclus aan de Hebreen schrijft: » Want met ééne offerande heeft Ilij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden." Geene eigen werken kunnen ons behouden, maar alléén de kruisverdiensten van den Heere Christus. »De dood van den Zoon van God is de eenige en hoogst volmaakte slagtofferande en voldoening voor de zonden , van oneindige kracht en waardij, overvloedig genoegzaam om de zonden der geheele wereld te verzoenen." Nu weet gij dat het aan de offerande van Christus niet hapert en dat gij er door zult zalig worden als gij in Hem gelooft. Daarom roepen wij u toe met al den ernst, die ons betaamt: »ermoeide en belaste zielen! gaat tot Christus, die u ruste zal geven, als gij tot Hem komt en in Zijnen naam gelooft. ' Er is geen andere of betere weg, Christus is de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot den Vader dan door Hem. Het ongeloof verheerlijkt God niet. Die niet gelooft zal verdoemd worden. Ziet daarom op Christus, al moet gij zeggen: »Ik geloof Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulpe." Aan de voeten van Jezus kwam niemand om; en al wordt het zwak of klein geloof vaak bestreden , het geloof, dat Gods gave is, zal toch niet ophouden, het ga hoe het ga. De Heere, die in u een goed werk begonnen heeft, zal dat voleindigen'tot op den dag van Jezus Christus. Hem zij de eere!

III.

»Te roemen" zegt de Apostel Paulus, tot de Corinthiërs, »is mij waarlijk niet oorbaar. Want zoo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen, maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij dènke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben , of dat hij uit mij hoort. \ an den~ mensch in Christus, die opgetrokken is geweest in den derden hemel, zou hij roemen , »doch van mij zei ven zal ik niet roemen, dan in mijne zwakheden." W as Hij roemende onwijs geworden, »gij hebt mij genoodzaakt dus schrijft hij: »Want ik behoorde van u geprezen te worden; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste Apostelen, hoewel ik niets ben." 2 Cor. XII: 11. Dacnten alle Christenen zóó gering over zich zeiven, dan zou Christus meer eer

Sluiten