Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

godin, die zij aanbaden. En zou ook de Apostel de wereld niet op liet oog gehad hebben als de legerplaats van het aardschgezinde Israël? En hoe noodzakelijk om ook die legerplaats te verlaten! Immers, zegt Jezus, „niemand kan twee heeren dienen, of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben; gij kunt Gode niet dienen en den Mammon. De wereld met al hare schepselen en voortbrengselen heeft God ons gegeven ter voeding, ter verkwikking en veraangenaming. Maar, waar wij ons hart er aan hechten, daar is zulks eene verloochening van den Schepper en Gever alles goeds, Die eischt: „zoon of dochter geef Mij uw hart. Hetgeen God ons geeft, moeten wij als genadegiften uit Zijne hand erkennen, genieten en hoogachten; doch wanneer wij het gering achten of meenen, dat wij er regt of aanspraak ou hebben, of het door ons eigen vermogen verkregen heoben, dan verloochenen wij de genade Gods, dan miskennen wij Christus en Zijne geregtigheid, Die het verworven heeft. U hoe noodzakelijk dan om de vermaning des Apostels te behartigen: „zoo laat ons dan uitgaan buiten de legerplaats.

De schaduwen op zich zeiven konden Israël zelfs onder het O. T. niet zaligen, want de Heere getuigt: „zou ik stierenvleesch eten of bokkenbloed drinken?" En de Messias wordt al sprekende ingevoerd in den 40sten psalm: „Gij hebt geen lust gehad aan slagtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de ooren doorboord: brandoffer of zondoffer hebt Gij niet geeischt. Toen zeide ik: ziet Ik kome" enz. En aangaande de tweede legerplaats zoo heette het reeds : „Dit volk nadert tot Mij met hunnen mond en eert Mij met hunne lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;" en elders: „Al uwe geregtigheden zijn als eeu wegwerpelijk kleed." En wat de _ laatste legerplaats aangaat: „IJdelheid der ïjdelheden, het is alles ijdelheidj» en onder het N. T: „zoo wie dan een vriendder wereld wil zijn, die wordt eeu vijand Gods gesteld. Zouden de geloovige Hebreen, zouden ook. wij dan die vermaning des Apostels niet behartigen? Maar, zoo hoor ik mij toeroepen: vanwaar toch die vermaning tot ons gengt, terwijl toch memand onzer in die legerplaats verwijlt, zooals het vleeschelijke Israël? O diepe blindheid! Ach waren allen, die onder het Evangelie leven en belijdenis van hetzelve hebben afgelegd, uit die legerplaats uitgegaan ? Maar helaas ! de meesten verwijlen daar nog. Hoevelen toch, die zorgeloos voortleven, tjeen aezigt of gevoel hebben van hunne zonden evenmin als vare overtuiging van of verbrijzeling over dezelve, en zich

Sluiten