Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Christus alleen de weg, de waarheid en het leven is. Yelen zullen gezworen hebben de wereld te zullen verzaken en een nieuw christelijk leven te leiden. Maar Toeh. denkt niet, dat dit genoegzaam is. Wanneer gij dit met uwen mond belijdt en met uwe uiterlijke daden niet verloochent, dan kunnen wij u niet weren uit de gemeente. Maar weet: God is de Alwetende, Die het hart proeft en een welgevallen heeft aan opregtigheden. O zoo het nog niet innerlijk waar is, wat gij uiterlijk vertoont, weest gewaarschuwd ! Welk eene teleurstelling zal het zijn, eenmaal te ineenen in te gaan en te worden buitengesloten. Smeekt God, dat Hij u trekke uit de legerplaats en u doe uitgaan tot Jezus.

Maar gij, die u zeiven van wege uwe zonden mishaagt, die als een arme en verlorene aan de voeten van Jezus zit te treuren over Zijn gemis, die een afkeer gevoelt van'de zonde, en wiens lust en keuze het is om den Heere te dienen, gij kunt er van verzekerd zijn, dat Hij u in genade wil aannemen. Zeg niet : mijn hart is te boos, te onrein, te vol zonden; want het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Zeg evenmin : ik denk niet, dat ik regt tot Hem ga, anders zou ik Hem al gevonden hebben; want de Heere vertoeft wel eens» Hij houdt zich doof op het eerste geroep der Kananesche vrouw, Hij wijst haar daarna smadelijk af met het: „het is niet betamelijk het brood der kindertjes te nemen en den hondekens voor te zetten! Maar het is om haar te beproeven en te louteren; het is, om haar nog al meer tot de kennis van hare onwaardigheid te brengen. En waar ze toch aanhoudt en zich als een onwaardige hond tot Hem wendt om de kruimpjes, daar heet het: „u geschiede gelijk gij wilt!" Zegt een ander: ik ben zoo doodig, ik gevoel geen liefde tot Jezus, ik mis den vrede met God en den troost Zijner zalige beloften; van waar komt dat? Gij luistert te veel naar die wolven, die in schaapskleederen lot u komen en ziet weder om naar de legerplaats. Het is waar, indien God ons eenmaal uit de legerplaats heeft getrokken, zal Hij niet toelaten, dat wij weder geheel terugkeeren; want Hij belooft : de oogen, die eenmaal gezien hebben, zullen niet weder terugzien. Maar toch kan God ons wel eens toelaten voor een tijd af te dwalen, zoodat onze ziel aan het stof kleeft, in zonden valt, en wij zoo wettisch worden, dat wij ons zeiven eerst wat willen opknappen, eer wij tot Christus gaan. Komt Toeh., laat de opwekking des Apostels: „zoo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats," ingang vinden. In

Sluiten