Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenmaal schiep God den mënscli en Hij de Heere is' dus de Eerste, de Allerhoogste, die een Adam geformeerd heeft uit 'tstof der aarde; toen de menscli viel, was 't de Heere die hem opzocht, die bemoeienissen vol ontferming met hem hnld. Hij is dus tot den mensch gekomen, Hij komt nog tot den zondaar; dat is Zijn wil, Zijn werk, dat is Zijne ontferming, Zijne nederbuigende goedheid. Maar daarom eischt de Heere ook, dat 't schepsel op aarde blijve, dat 't in gehoorzaamheid aan Zijn gebod van 't geloof leve, dat 'tin onderwerping aan Zijn Woord met dat Woord volsta als een dagelijksch manna der ziel, en zie — dat wil de mensch niet en daarom kan hij 't ook niet. „Gij zult als God wezen," sprak de satan tot de vrouw, en dat woord der verleiding, die prikkel des hoogmoeds vindt nog plaats in ons hart, schuilt nog in de plooien van ons zielsgewaad en wij heffen 't hoofd omhoog, ja helaas ook 't harte, meenende in eigen kracht tot God te kunnen komen. „Gij zult als God wezen,1' verderflijk woord! helsclie gedachte! en al ondervinden we nu dagelijks dat 't nooit werkelijkheid kan worden, dat het een leugen is van den vader der leugenen afkomstig, wi] werken en woelen toch, trachtende tot God op te klimmen, maar wat is de vrucht? een weg van kwaad tot erger, een steeds verder afdwalen van 't vaderhuis, en de toorn Gods ontbrandende en Zijn vloek ons treffende, o God dat wij nog tot onszelven mogen inkeeren!

„Gij zult als God wezen;" de satan sprak eenmaal dat woord en 't wordt herhaald van eeuw tot eeuw, van geslacht tot geslacht in elk menschelijk hart; zoo menige zucht des harten, zoo menig gebalde vuist, zoo menig bliksemend oog ten hemel geslagen, openbaart ons deze booze begeerte der zondaarsziel; gelijk sinds eeuwen de oceaan met zijne golven op 't strand beukt wendt 't ijdele schepsel ook pogingen aan om

Sluiten