Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aarde, want ik ben God en niemand meer. Hij doet hein zien, dat Hij zijn eigen zoon niet gespaard heeft, maar Hem heeft overgegeven, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven beërve.

Jezus doet hem zien, dat hij de schuld zijns volks op zich genomen en aan Gods recht voldaan heeft; zoodat arme zondaren, door Hem met God verzoend, en deelgenooten van Gods gunst en van de eeuwige zaligheid kunnen worden. Hij is de God van zaligheid: -maar dit alles uit vrije genade. Eigene verdienste moet geheel verloochend worden. Hiervan is de geestelijke arme ook gansch ontbloot. Niets in of van hem kon God bewegen, toch is Hij om zijns zelfs wil genadig. Niemand schept in dezen weg van zaligheid zulk een behagen, dan onze geestelijk arme. Daarom zoekt hij Hem met geheel zijn hart. Zijn gebrek drijft hem naar Christus volheid uit, nu begeert hij het water des levens om niet, zijn naaktheid doet hem wenschen met den mantel der gerechtigheid van Christus bedekt te worden, zijne schuld om gewasschen te worden in diens bloed en hersteld te worden in Gods gunst. Hij kan de wroeging van zijn geweten niet meer dragen en buiten God niet langer leven. Gelijk een hert naar de waterbeeken, zoo dorst zijne ziel naar God. Het is zijn nederliggen en opstaan. Zijne behoefte blijft steeds levendig, en zoo die verflauwt, roept hij tot den H. G., dat Hij hem weêr drijve tot God. Moet hij een tijd lang ongetroost omzwerven, hij wijt het niet aan den Heer, maar aan zichzelven, en erkent dat de Heer regt heeft om op zijn geroep te zwijgen, wijl hij niet antwoordde toen de Heer tot hem riep.

Ofschoon de stem van binnen ook soms zegt, gelijk de jongeren tot Bartimeüs, dat hij maar zwijgen moet, zoo roept hij te meer: gij zone Davids, ontferm u mijner, en laat niet af zijnen nood den Heere voor te stellen. Zij, die aan het ongeloof toegeven en met bidden ophouden, als de Heer hen niet terstond hoort, toonen dat zij nog nooit hunne armoede recht gekend hebben. De ware arme kan niet nalaten om troost te smeeken. Hij moet geholpen worden. Jezus is hem dierbaar; hij gelooft dat Jezus hem redden kan, en roept: kom mijn ongeloof te hulp, opdat ik ook zoo zeker gelooven mag, dat gij mij redden wilt.

II.

Deze armen nu noemt jezus zalig. Niet alle zoodanige armen; want dan waren alle zondaren zalig; en het tegen-

Sluiten