Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. omtrent den inhoud. Door dit reglement werd eene bestuursmacht in de Kerk gebracht, welke tegen het Woord des Heeren is. In Art. 1 reeds werd de aloude leer miskend, dat de kinderen der geloovigen als lidmaten gedoopt werden. Alleen gedoopten en tot lidmaat aangenomenen werden beschouwd tot de Kerk te behooren. De Kerk werd bestuurd door de Synode. Geen meerdere, maar hcogere vergaderingen w >rden ingesteld. De Kerken werden collegialistisch, opgelost in een genootschap, dat vanuit Den Haag zou bestuurd worden. De autonomie (zelfstandigheid) der plaatselijke Kerk ging verloren.

Noch krachtens zijn koningschap, noch krachtens de Grondwet, had Willem I aldus mogen handelen.

III. Protesten tegen de nieuwe bestuursorganisatie. Dit nieuwe Reglement wekte bij sommigen wel ontevredenheid, maar alleen de Classis Amsterdam protesteerde op waardige wijze. De Classis ontving het aniwoord. dat zij sinds 7 Januari 1816 niet meer bestond. Ook enkele predikanten uit de Classis Leiden en Woerden hebben later hun bezwaren ingebracht, maar eveneens tevergeefs.

IV. I)e eerste „Haagsehe Synode".

Op 3 Juni 1816 werd zij geopend. De koning had de leden benoemd, ook zelfs het bestuur en den secretaris. De heer Repelaer van Driel, commies-generaal van het Departement van Eeredienst, hield de Openingsrede. En de „Synode" verklaarde in het eind, dat zij vertrouwde in alle nederigheid overtuigende blijken te hebben gegeven van haar groote achting voor de geëerde Staatscommissie, een achting, welke haar teruggehouden heeft om ten aanzien van een enkel bijvoegsel van het Reglement dit zelfs niet te durven betwisten.

Op deze vergadering werden bijzondere reglementen, die vooraf reeds ontworpen waren aan het Departement, goedgekeurd en den koning ter onderteekening aangeboden. Ei werden daarbij besluiten genomen, die tegen de Heilige Schrift en de belijdenis indruischten. Het Reglement op het Examen en de Toelating tot het Leeraarsambt, en het Reglement betreffende Opzicht en Tucht vertoonen reeds vele sporen van menschelijke inzettingen, die niet dooi

God zijn gewild.

Daarbij werd in 1819 een „Algemeen College van Toezicht" ingesteld, hetwelk op de administratie van de plaatselijke kerkelijke goederen moest toezien. Het vrij beheer ging

Sluiten