Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we, dat ons liefde-oordeel eenmaal zal blijken zich ten aanzien van sommigen vergist te hebben. Voor onszelven hebben we nauw te oordeelen, want „wie niet vóór Mij is, die is tégen Mij", en tegenover anderen mild, want „wie niet tégen Mij is, die is vóór Mij".

De houding jegens ongeloovigen en onbekeerden zij een houding van ootmoed: „wij hebben onszelven niet uitgezonderd" en van liefde: „voor dezulken God bidden, Die het hardste hart kan breken", zooals we immers zelf ervaren hebben. In dezen geest hebben we ons volijverig en met liefde te geven aan het werk van zending en evangelisatie.

De Lutherschen leerden oorspronkelijk, dat de mensch het beeld Gods, dat volgens hen alleen in zedelijke eigenschappen bestond, geheel verloren had en nu gelijk was aan een „stok en blok". Deze oppervlakkige beschouwing miskent de verantwoordelijkheid, waaronder de mensch ook na den val bleef liggen, en vergeet, dat de mensch na zijn val zijn wezen als mensch behouden heeft, al is zijn natuur door en door bedorven; hij is mensch gebleven, redelijk, zedelijk, geestelijk wezen, niet een dier of een duivel of een geestelijk lijk geworden.

Welnu, op dien mensch, geestelijk in verstand en wil, dood en verdorven, maar nog mensch, werkt God met Zijn wederbarende macht wonderlijk in; Hij herstelt het geschonden beeld, heelt hem, verbetert hem, buigt hem liefelijk en krachtig. Van „dwingen met geweld" is geen sprake; 't is geen voortduwen, zooals men een levenloos voorwerp doet, maar een vernieuwen van de innerlijke krachten op zoodanige wijze, dat er een gewillige en oprechte gehoorzaamheid in het hart gaat heerschen. En waar dat nieuwe leven op de vermogens der ziel werkt, daar begint de wil eerst waarlijk vrij te worden; deze vrijheid van den wil is dus te danken aan het ingeplante nieuwe leven. Daarom kan men zeggen, dat de mensch door de ontvangen genade, gelooft en zich bekeert.

Vragen.

1. Wat bedoelt men met wedergeboorte; in enger zin, in ruimer zin en in den ruimsten zin?

2. Wat bedoelt men met de „onmiddellijke wedergeboorte"?

3. Wat heeft de Kerk te Utrecht (1905) omtrent de „veronderstelde wedergeboorte" uitgesproken?

Sluiten