Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rom. I : ii en 12. Want ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige geestelijke gave mocht mededeelen, ten einde gij versterkt zondt worden.

Dat is, om mede vertroost te worden onder u door het onderlinge geloof, zoo het uwe als het mijne.

In iederen mensch leeft, Gemeente des Heeren, van nature een onbedwingbare neiging om te nemen. De zonde is in haar eigenlijk wezen begeerlijkheid. Deze neiging nu neemt bij iederen mensch overeenkomstig zijn aanleg een eigenaardige gestalte aan. Is de ziel eens menschen grof, dan openbaart zij zich als geldzucht, gemakzucht, genotzucht. Sommige menschen vinden het bezit van geld, eenvoudig het bezit, een genot. Zij willen rijk worden, eenige honderdduizenden bezitten, hun ideaal is millionnair te zijn.

Anderen hebben het geld op zichzelf genomen niet lief, maar hetgeen het geld hun geeft. Een rijk man kan zich alle weelde, welke het lichaam verlangt, veroorloven. Hij kan een ruim huis met vele gemakkelijke stoelen bewonen; hij kan eten en drinken, wat hij begeert. Een rijk man wordt ontzien; men groet hem eerbiedig; men gaat voor hem op zijde; men buigt zich voor hem.

Is de aanleg des menschen evenwel edeler, dan richt hij zijn begeerten op hooger idealen. Geld, gemak en genot hebben voor hem weinig bekoring. Hij zoekt iets fijners, hij zoekt

i

Sluiten