Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de laatste zich verdiept door den groei der vroomheid.

Godsdienstzin begint — wy bespraken dat reeds — met aanbidding van het Heilige. Maar deze aanbidding, de aanvankelijke schroom, groeit tot een vertrouwen in ontzag, tot een godvreezenden ootmoed en tot aanhankelijkheid in goede en in kwade dagen, bij leven en bij sterven. Stijgt dan het geloof in Gods reddende liefde tot de zekerheid der volkomen bevrijding of verlossing van alle aardsche, menschelijke beperktheid, dan groeit mèt die zekerheid ook een zuivere, stralende vreugde in de ziel, die men opgetogenheid kan noemen, een besef van eenheid met God, doortinteld van een diep geluksgevoel. En wij gelooven, dat deze gelukzaligheid of opgetogenheid, welke op aarde gewoonlijk slechts voor korten tijd geschonken wordt, eenmaal het deel zal zijn van alle schepselen, en dat wij gebonden zijn, naar de mate onzer krachten, ertoe mede te werken dat onze medemenschen haar met ons smaken mogen. Dat alleen kan men een godzalig leven noemen.

Maar wij erkennen en belijden ook, dat zelfs de gelukzaligheid van alle schepselen slechts dienen mag tot verheerlijking, niet van henzelf, maar van God den Schepper, „uit Wien, door Wien, en tot Wien alle dingen zijn."i) Hem alleen gelde onze arbeid. Zijn Koninkrijk alleen zij ons doel. Hem alleen zij de Eere in alle eeuwigheid.

L. J. VAN HOLK.

1) Rom. 11:36.

Sluiten