Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In naam van de godsdienst moet er een einde gemaakt worden aan de dienst van den levendigen Godin dezen strijd van het Christendom der Apostelen en Profeten tegen liet Christendom boven geloofsverdeeldheid ligt de grondtrek van onzen leeftijd en het geheim deitoekomst

Ik eindig waar ik meê begon.

Laat er althans naleving van de wet en geen vijandschap tegen het christelijk-nationaal schoolonderwijs zijn.

zindten bij uitnemendheid neutraal; daar ze in haar bestrijding allen gelijkelijk omvat. Zij wil geenerlei kerkelijken, geenerlei godsdienstigen invloed; maar ziet! ééne uitzondering maakt ze, ten behoeve van haar kerk, van haar algemeene Gods-kerk, en de zoogenaamde onzijdigheid lost zich op in de meest verderfelijke eenzijdigheid, ten behoeve van het ongeloof, loopt op een proselytisme der godsdienst van Rede en Natuur uit." Openingsrede der eerste Alg. Verg. van de Ver. v. Chr. nat. schoolonderwijs.

') Onder het afdrukken ontvaug ik " Vormen Geest. Brief aan een Vriend over onze kerkelijke toestanden, door J. H. Gunning Je. " In dit merkwaardig opstel wordt zeer teregt herinnerd : " Modern moeten wij zijn, waarachtig

modern Het Apostolisch Christendom, dat alléén is waarachtig modern."

Doch wanneer gevraagd wordt; " waarom toch schrikt de geloovige gemeente voor dien naam terug?" dau ligt, dunkt me, het antwoord voor de hand : Omdat de beteekenis der woorden door het gebruik bepaald wordt {veria valent usu), en omdat thans, in het dagelijksch verkeer, door Moderne Theologie de school, b. v. van Renan of van Opzoomer, met haar godlasterlijk bestrijden van het Apostolisch Christendom , verstaan wordt. Die weerzin deigemeente moet, naar mij voorkomt, veeleer ook in haar kerkregtelijk bewustzijn, worden gewaardeerd. Laat het zijn dat, zoo als G. meent, deu orthodoxen, om averechtsche regtzinnigheid, verootmoediging betaamt, en dat de dwaling eerst door herovering eener aan de orthodoxie ontvreemde waarheid zal te niet gaan; hierin ligt voor de noodzakelijkheid eener kerksloopende en zielverwoestende losbandigheid geen bewijs. Zoo thans dergelijk eeu leervrijheid moet worden aanvaard , zou het niet misschien ook zijn omdat men , den eisch eener wetenschappelijke bestrijding overbrengend op kerkelijk gebied , als onvermijdelijk voorstelt wat der gemeente ongerijmd scheen, en haar aldus ter berusting overreedt, zelfs in datgene waartegen haar cosscientie zich, in kerk en in weeshuis, met verontwaardiging zou hebben verzet?

Sluiten