is toegevoegd aan uw favorieten.

De eenige troost in leven en sterven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben hier vooreerst het woordje „waarom"; daarna \ ernemen wij, dat Christus de geloovigen van het eeuwige leven verzekert; verder, dat Hij zulks doet door Zijn'Heiligen Geest; en dat niet alleen, maar dat Hij hen ook van harte willig en bereid maakt, Hem voortaan te leven. —

Dit „waarom sluit zich onmiddellijk bij het voorgaande aan, namelijk bij de woorden: „En alzoo bewaart, dat, zonder den wil mijns hemelschen Vaders, geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet".

De verzekering of zekerheid van het eeuwige leven of van het genot der eeuwige zaligheid bij en met den Heere en in gezelschap van alle zalige engelen en alle volmaakte geesten vloeit ongetwijfeld in de eerste plaats daaruit voort, dat Chustus Jesus in den aanvang des wegs bij de vergeving der zonden ons daarvan verzekert; daarna echter ook in het bijzonder uit de gedurige ervaring; want Christus geeft den Zijnen de verzekering des eeuwigen levens, opdat zij in alle lijden, droefenis en vervolging, in alle aanvechting, in alle verzoeking, ook in hunne zonden, waarover zij voortdurend hartelijk berouw gevoelen, de zekerheid hunner zaligheid zouden hebben. — Ziet, wanneer wij slechts God, den levenden, waarachtigen God, tot ons heil en ons deel hebben, zoodat wij mogen zeggen: „De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen"; — wanneer Christus Jesus, de trouwe Heiland, ons van zonde verlost en uit alle geweld des duivels gered heeft; wanneer wij daarvan verzekerd worden en zeker zijn, dat wij een' genadigen God en Vader in den hemel hebben, — dan moge al, wat ons treft, ons voor een wijle ternederslaan, wij hebben nochtans een' troost, een' levenden, eeuwigen troost, in nood en dood. Welk lijden, welke smarten en aanvechtingen zijn er dan, die ons ongelukkig zouden kunnen maken? Wij hebben het heil bij het vleesch niet gezocht, wij hebben het heil bij het vleesch niet gevonden. Alle vleesch kan mij niet zeggen, hoe ik voor God