is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerrede over psalm 18, vs. 21-25

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ters dezer wereld. Christus sprak in David de woorden van dit lied. Ware Christus niet de eerste geweest die alzoo gesproken had: "Ik zal u hartelijk liefhebhen, Heere, mijne sterkte! De Heere is mijne steenrots, en mijn burg en mijn uithelper, mijn God, mijne rots, op welken ik betrouw;" zoo zoude geen vleesch den moed hebben, zulk© woorden tot God te spreken; zoo waren ook zulke woorden, waarbij men God aanroept als zijn uithelper, zijn God, zijn rots, nooit in de gedachten eens menschen opgekomen. Daarom ook, omdat Christus deze woorden gesproken heeft, zijn en blijven het levendige woorden, welke nu, even gelijk toen in David, in de harten van alle verlosten, heiligen en geloovigen weergalmen, en ook van hunne lippen vloeijen, gelijk toen van Davids lippen.

Christus sprak deze woorden in David, zoo als Hij ze nu nog spreekt in de harten van alle armen en ellendigen. Echter niet zoo, als of David daarbij eene machine geweest ware, een levenloos ding, om zoo te zeggen gelijk eene fluit of harp; neen, Christus had aan David zijnen Geest gegeven, die hem ook levend heeft gemaakt; deze Geest was met Davids geest, en Davids geest was met den Heere. En in deze eenheid, waarin bij David steeds deze grond lag: niet ik, maar Gij — was het in hem altijd Christus, die in hem bad, streed en kampte, leed en worstelde, die geregtigheid oefende en de overwinning wegdroeg.

Ik moet het herhalen, dat David daarbij geen levenloos werktuig was. Wat heeft aanleiding gegeven, dat hij deze woorden gesproken heeft? David was nabij zijn einde, hij zag op den afgelegden weg terug. Het ging hem even als