is toegevoegd aan uw favorieten.

Calvinisme en Spinozisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het anders. Hier kan hij blijkbaar de verleiding niet weerstaan zijn gedachten aan de christelijke leer te verbinden, en ze in den vorm dezer waarheid bedektelijk aan te dienen. Bij Descartes was de onveranderlijkheid een wezenlijke deugd Gods, en een vaste grond ook voor de verrassende waarheid, die hij op physisch gebied ontdekt had, n.1. dat in de natuur de som van alle beweging constant is. Bij Spinoza is de onveranderlijkheid Gods van principieele beteekenis voor zijn gansche systeem. De onveranderlijkheid, zegt hij, bestaat hierin dat er geen mutatie of transformatie plaatsvindt, want God is onafhankeüjk. Noch door uitwendige, noch door inwendige oorzaken kan er verandering komen in Gods wezen. De zon blijft immers dezelfde of zij de menschen verkwikt of verwarmt.

Hierin is niets, dat aan afwijking doet denken. Augustinus gebruikt hetzelfde beeld van de zon om Gods onveranderlijkheid te kenteekenen. Maar dat nu het eigenlijk doel van den schrijver is geheel de persoonlijkheid Gods, het leven Gods te loochenen juist om de deugd der onveranderlijkheid blijkt uit hetgeen voorafgaat: „Wel leert de bijbel, dat God over de zonden der menschen vertoornd en bedroefd geweest is en dergelijke dingen, maar hier wordt de werking voor de oorzaak genomen.*) Ten bewijze haalt hij aan Jes. 59 : 2: „Maar uwe ongerechtigheden maken scheiding tusschen ulieden en tusschen uwen God." M.a.w. de schuld is slechts een gedachtending (ens fictum), het is verbeelding, dat God zou toornen. God Jcan niet toornen want Hij is onveranderlijk. De scheiding heeft niet van Gods zijde maar van uw zijde plaats.

Voorzeker een merkwaardig voorbeeld, hoe bedriegelijk (ik bedoel dit niet in ethischen zin) Spinoza's leer in de christelijke waarheid schijnt te wortelen. Het onderscheid ligt ook hier alleen in het christelijk Godsbegrip van het waarachtig en hoogste zijn. Maar deze klove is dan ook

x) In iis effectus sumitur pro causa (Princ. Phil. 116).