is toegevoegd aan uw favorieten.

De christelijke staat en de geestelijke en zedelijke ontaarding onder ons volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wet op het gevangeniswezen verplicht de gevangenen, tot deelneming aan godsdienstoefeningen, en aan godsdienstonderwijs. De tuchtschoolwet bevat soortgelijke bepalingen. Ik voeg aan de hier genoemde voorbeelden toe, dat de Rijkskweekschoolwet gelegenheid geeft tot godsdienstig onderwijs aan die scholen. Dat de Staat geestelijke verzorgers aanstelt voor leger en vloot, en dat van onderscheidene gezindten, naar de behoefte van die gezindten. In één woord, het leven van de natie loopt nog in de christ. historische bedding, de Staat erkent dit, en hij behoort dit algemeen Christelijk-historisch karakter te beschermen. De Christelijke Overheid behoort en kan in zulk een natie de bedding voor die geestelijke strooming, de erkentenis van God, de eerbied voor Zijn Woord, den godsdienst als zoodanig te beschermen. Zij heeft, gedragen door die strooming, haar roeping om als Gods dienares publieke lastering van God, Zijn Woord, Zijn dienst onverpoosd tegen te staan. Staat en Kerk zijn wel gescheiden, maar niet Staat en godsdienst.

Ik ga dan ook niet mede met de theorie door Prof. Anema verkondigd bij de bespreking van het wetsontwerp tegen de godslastering. Volgens hem „behoort niemand (ik cursiveer v. L.) door machtsmiddelen te worden belemmerd in den strijd tegen den godsdienst. Wel kunnen bepaalde geestelijke strijdmiddelen door de Overheid ter wille van de openbare orde uitgeschakeld worden door de dwingende macht van de Overheid (Hand. Ie K. 1932 p. 40). Dat wel dus zeggen geen eigenlijke roeping van Godswege tot straf van Godslastering als zoodanig. Ik schrik van deze opvatting. Toch jammer dat het onder ons Antirevolutionairen nog een vraag moet zijn of Godslastering als zoodanig wel door de Overheid kan en moet worden gestraft in een Chr. Staat. Bij dezen tijd moest daarover toch wel zekerheid bestaan.

„Mijn bezwaar — zoo zegt hij — tegen het strafbaar stellen van godslastering als zoodanig is van algemeen principiëelen aard. Het is de taak der Overheid niet om zulk een strafbepaling te maken. Wie godslastering als zoodanig wil strafbaar stellen, heeft de bedoeling straf te bedreigen, tegen een beleediging die God wordt aangedaan, tegen het aantasten van wat de theologen Gods Naam noemen, wat in de taal van ons strafwetboek zou moeten heeten: een misdrijf tegen de waardigheid Gods. Maar de verhouding tusschen God en mensch valt buiten het terrein der Overheid, zooals wij haar kennen ... Alle aantasten van den Naam Gods als zoodanig spreekt zich af in