is toegevoegd aan uw favorieten.

Den weg, welke de Heere gehouden heeft met den persoon van Marinus Ruben, in leven leraar en bedienaar des Goddelijken Woords in de verstrooide gemeenten Jezu Christi, in de Provinciën Zeeland, Zuid-Holland en Gelderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen den derden Zondag waren wij afgesproken naar eene samenkomst te gaan ten huize van Simon Diionkeks. maar om daartoe te geraken. Die woonde aan 't Plakkebord, omtrent die plaats, waar ik in mijn jonge jaren met mijn makkers Gods naam zoo had ontheiligd. Wat getuigen tocli alle plaatsen tegen den overtuigden zondaar! Wat komen de zonden hem toch duur te staan !

Als mij die menscheu maar niet zagen.

Ik nam een voornemen om, als er menschen stonden er voorbij te gaan, maar zoo niet er dan in te gaan. Echter het lukte mij, daar stond niemand en ik draaide er in. Als ik er in kwam, zaten er veel menschen; het was rondom, moet ik zeggen, vol menschen. Wel, wel! dacht ik, wat doe ik hier ! Evenwel, ik mocht plaats nemen in hun midden, tot verwondering van mijn persoon, die zoo diep alles verbeurd had door mijne zonden.

Die menschen begonnen te spreken over zichzelven, hoe dat zij hun zeiven hadden leeren kennen voor de eeuwigheid ; hoe dat het met hun buiten hope geraakt was; hoe dat de Heere Jezus zich had ontdekt en hoe de Heere wel eens eene toespraak tot de ziele deedt. Ik zat dat al aan te hooren, het scheen mij toch zoo onmogelijk.

Terwijl ik daar zoo zat en geen woordje mee kon praten, beraadslaagde ik bij mij zeiven, onder wijsmaking van den duivel, als ik nu maar een paar kapitteltjes van buiten kon leeren, dan kon ik toch ook wat zeggen, maar nu geleek het toch op niets en ik moest maar nergens op rekenen.

Ach, wat bezwaar dat alles! en alles was evenwel mijn eigen schuld. «

Dat zijn van achteren bezien, zooal de beste dagen, het is alles eigen schuld en hij heeft met een ander geen moeite.

Den dag was weer ten einde en ik keerde des avonds weer naar de stee daar ik woonde.

Ik ging in de schuur, kreeg wonderlijke aandoeningen in het toenaderen tot den Heere, voornamelijk over hetgeen ik had hooren spreken, ook over die toespraken, welke de Heere wel eens deed.

Ik dacht, de Heere zoude hoorbaar tot mij spreken, deed Hij dat niet... dan kon ik geen besluit nemen van eene goede