Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen hoopjes bacillen worden gevonden, terwijl toch bij histologisch onderzoek een enkele reuzencel ontdekt wordt met 1 of 2 bacillen.

Wanneer paratuberkelbacillen bij het bacterioscopisch onderzoek van de faeces worden gevonden, staat de diagnose „paratuberculeuze enteritis" onomstootelijk vast en zal deze in alle gevallen door het postmortem onderzoek kunnen worden bevestigd. Deze voor 100% zekere diagnose kon echter alleen in 30% van mijn gevallen worden gesteld, waarbij niet uit het oog mag worden verloren, dat bijna al mijn onderzochte dieren wegens diarrhee voor de slachtbank werden verkocht.

Mijn ervaring gedurende eenige jaren in de praktijk van een groot aantal aan paratuberculose lijdende dieren is echter, dat slechts in ± 10% van de gevallen de diagnose door het faecesonderzoek tijdig kan worden gesteld.

Dit toont wel duidelijk aan, hoe onvolkomen de wegen tot nog toe zijn om tot een juiste diagnose te geraken, speciaal in de eerste stadia, wanneer het dier nog een behoorlijke slachtwaarde heeft. Is de koe eenmaal sterk vermagerd, hetgeen soms een kwestie is van een paar weken, dan wordt de hulp van den veearts in den regel niet eens meer ingeroepen, maar wordt de koe rechtstreeks aan den vilder verkocht.

(Mijn ondervinding is, dat de boer lang niet genoeg doordrongen wordt van het groote gevaar van besmetting, dat gelegen is in het aanhouden van klinisch zieke dieren en trouwens, de bittere praktijk is deze, dat al wijst men er den boer op, hij dien raad toch dikwijls in den wind slaat en met allerlei huismiddeltjes (van gemalen steen tot spekkoeken toe) de diarrhee tracht te bestrijden).

In het praeclinische stadium verlangen we naar een diagnosticum, dat ons helpen kan de paratuberculose met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te onderkennen. Hierbij denkt men natuurlijk in de eerste plaats aan een biologisch diagnosticum, waarmee men zooals b.v. bij de tuberculose, zulke gunstige resultaten kan bereiken. Het is duidelijk, dat indien het diagnostisch agens absoluut te vertrouwen en specifiek wil zijn, dit bereid moet worden uit culturen van dezelfde zuurvaste bacillen welke de ziekte veroorzaken; terwijl de te geven dosis groot genoeg moet zijn om bij een aangetast dier een reactie te veroorzaken, welke bij een volkomen gezond dier geheel behoort uit te blijven (Dunkin).

Sluiten