Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze bleken echter ook bij andere ziekten voor te komen.

In 1909 gelukte het Stargardt en Schmeilcher in een geval van nongonorrhoische etterige conjunctivitis van een zuigeling dezelfde insluitsels te vinden, terwijl Heymann bij een etterige conjunctivitis van zuigelingen gonococcen en P.H.K. naast elkaar vond. Hij bracht ook naar voren, dat deze insluitsels geen levende wezens konden zijn.

Halberstadter en v. Prowaczek echter konden in geen enkel geval van door hen daarop onderzochte blennorrhoische conjunctivitis gonococcen en chlamydozoa tegelijk vinden.

Wel vindt men ze volgens hen bij alle ziekten behoorende tot de z.g. epitheliosen, waartoe naast het trachoom ook o.a. bepaalde vormen van non-gonorrhoische blennorrhoe behooren, m.a.w. de P.H.K. zouden typisch zijn voor een groep van ziekten. In dit verband berichtten ook Lindner en Wolf rum omtrent hunne identiteitstheorie over Einschluszblennorrhoe en Trachoom.

Bepaalde vormen van zuigelingen-blennorrhoe berusten volgens deze leer op infectie met gonococcen, andere weer op die met chlamydozoa. Ook van Prowazeck en Halberstadter erkenden deze identiteitsleer.

De P.H.K. bleken niet alleen niet specifiek voor trachoom, niet specifiek voor de groep der repitheliosen, doch men (Addario, Spoto) vond ze in normaal epitheel van menschen en apen. Anderen weer (Greeff, Heymann, Miyaschita) zochten ze tevergeefs bij den mensch, en (Prowazeck, Halberstadter) bij de aap.

Men vond ze voorts bij verschillende non-trachomateuse aandoeningen zoo bij: diplococcenconjunctivitis (Addario), conj. follicularis (Römer), conj. sicca (Thierfelder), Frühjahrkatarrh (Lodato), conj. Koch-Weeks (Bartels), wat door anderen (Prowazeck-Halberstadter, Greeff?, Leber, Lindner, Wolfrum, Zade, Wakisaki e.a.) uitdrukkelijk werd tegengesproken.

„Es hat sich vielleicht nicht um die gleichen Befunde gehandelt" (Axenfeld).

„Es scheint mir vielmehr, dasz nicht alle jener Gebilde, die als Chlamydozoen aufgefaszt wurden, tatsachlich typische Einschlüsse waren." (Botteri).

Van de specificiteit der P.H.K. restte niet veel.

Men beschreef ze ook bij niet-conjunctivale aandoeningen van menschen (Sowade bij gono- en post-gonorrhoische genitaalaandoeningen) en van dieren (Blaha bij vaginaal-katarrh der runderen).

De celinsluitsels zijn niet specifiek (Heymann, Addario, Zur

Sluiten