Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het secundaire fosfaat ZnHP04.3H;,0 vormt kleverige, als watten uitziende massa's van draadachtige kristallen; Crowell c.s. konden de optische eigenschappen niet bepalen.

Het monohydraat ZnHP04.Ho0 kristalliseert als kleine, doorschijnende naalden met scheeve uitdooving.

Het ZnfH-.POJ^H.O vormt groote, trikliene kristallen.

Enkele als mineralen voorkomende basische zinkfosfaten werden noch door Crowell, noch door andere onderzoekers146 langs kunstmatige weg verkregen; ze schijnen dus niet of niet binnen een meer beperkt tijdsverloop in oplossing te worden gevormd uit zinkfosfaat en zinkoxyde.

Van de verharding van het fosfaatcement geeft Crowell nu de volgende verklaring7»87, waarbij hij uitgaat van de vergelijking van Nernst voor de snelheid van een heterogene reactie. Ook zonder die vergelijking is hetgeen Crowell over het proces van de verharding opmerkt, zonder meer duidelijk: de snelheid van de reactie tussclTen het poeder en de vloeistof wordt bepaald door het oppervlak van het poeder en de concentratie van het zuur. Het is duidelijk, dat de reactiesnelheid op twee manieren kan vertraagd worden: door vermindering van het oppervlak van het poeder en door vermindering van de concentratie van het zuur.

Vermindering van het oppervlak van het poeder wordt bereikt door het fijne oxyde te sinteren, of tenminste sterk te gloeien, eventueel met andere oxyden vermengd; door het verhitten neemt de korrelgrootte toe. Crowell vermeldt niet, dat ook wanneer de korrelgrootte niet toenam, de reactiviteit van het oxyde vrij zeker ook zou verminderen, evenals dit bij zooveel oxyden het geval is.

De concentratie van het zuur kan verminderd worden door verdunnen met water; wordt evenwel het zuur zoover verdund, dat een geschikte reactiesnelheid verkregen is, dan is het cement na de verharding veel te zacht. Om dit nadeel te vermijden, wordt de reactiviteit van de vloeistof geregeld door het zuur gedeeltelijk te neutraliseeren, en wel met ZnO en AL03. Volgens Crowell worden de beide oxyden gezamenlijk toegepast om te voorkomen, dat de oplossing aan een der beide fosfaten verzadigd zou worden. Dit laatste kan niet juist zijn; uit tabel 6 blijkt toch, dat de vloeistoffen der fosfaatcementen öf in 't geheel geen zinkfosfaat bevatten, óf zoo weinig, dat de grens van de oplosbaarheid lang niet bereikt wordt; een vloeistof met 45 % P205 bijv. zou 14 % ZnO kunnen bevatten.

Uit de invloed van de oppervlakte van het poeder en de

Sluiten