Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brekende kristallen van vrij onregelmatige vorm aangetroffen. Deze kristallen deden zeer sterk denken aan de groote, dunne plaatjes, die in sommige preparaten van het cement S I gevonden waren.

Werd de gewichtsverhouding van poeder en vloeistof grooter gekozen, dan werden geen groote kristallen gevormd; wel bleken er dan meestal bij gekruiste nicols veel fijne, dubbel brekende deeltjes aanwezig te zijn. Ook hier zijn dus de kristallen kleiner, naarmate de hoeveelheid poeder grooter is, d.w.z. naarmate de reactie sneller verloopt.

Bij reactie van 30 mgr. poeder met 80 mgr fosforzuur van 30 % P203 ontstonden bijna geen lange naalden, maar groote, sterk dubbel brekende plaatjes, soms zeshoekig van vorm, meestal uitgerekt en dan soms met rechte, soms met scheeve uitdooving. Het is nauwelijks aannemelijk, dat hier sprake kan zijn van een andere chemische verbinding dan in de boven beschreven preparaten. Eerder is te denken aan een andere groei van de kristallen ten gevolge van het andere milieu. Zekerheid hierover werd niet verkregen, doordat de chemische reactie in dit cement niet nader werd onderzocht.

De verklaring van de sterke overeenkomst van het microscopische beeld bij de cementen S I en S V ligt wel eenigszins voor de hand: het poeder van S V bevat een groote hoeveelheid CaF.., dat niet aan de reactie deelneemt; de rest van het poeder bevat nog zeer veel CaO en misschien niet eens fluoor, zoodat de vorming van Ca-fosfaat wel verwacht moet worden.

Met het cement S III werden dezelfde proeven gedaan. Wat hier allereerst opviel, was de groote doorschijnendheid van het cement; in dunne laagjes is het zoo helder als glas. Dit is het gevolg van de lage brekingsindex van het poeder (1.43), die weer veroorzaakt wordt door het hooge gehalte aan fluoor (CROWELL7'87}. De stukjes niet omgezet glas hebben ongeveer dezelfde brekingsindex als de gelmassa, waarin ze liggen; ze zijn dan ook bij het microscopeeren nauwelijks terug te vinden.

Een tweede eigenaardigheid is de groote hoeveelheid poeder, die met de vloeistof vermengd moet worden; de normale verhouding is 2.5 a 3 gewichtsdeelen poeder op 1 deel vloeistof; bij S V is die verhouding slechts 1.4 : 1, bij SI 1.3 : 1. Dat bij het cement S III zoo weinig vloeistof noodig is, wordt ongetwijfeld mede veroorzaakt door de groote hoeveelheid zure bestanddeelen in het poeder.

Sluiten