Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van daar Jat men verwijding van de pupil waarneemt bij wonnen , subinflammatore toestanden, waterhoofd enz., alsmede bij het zinken der levenskracht van de spijsverteringswerktuigen. Is de pupil op de eene zijde verwijd, op de andere vernaauwd, dan toont dit cene ongelijkmatige drukking der beide hersenhaltronden, door uitstorting van bloed, water of door gezwellen aan. Trilling van den oogappel geeft het tijdperk te kennen, waarin de ontsteking der hersenen met uitstorting van vocht eindigt en is als een strijd lusschen vernaauwing en verwijding te beschouwen. Ten opzigte van den neus zij men opmerkzaam. of de neusvleugels ingetrokken en de neusgaten vernaauwd zijn, hetgeen tot eene aanmerkelijke aandoening der buikingewanden vermoeden geeft; zijn daarentegen de neusgaten aanmerkelijk verwijd, makende neusvlett gels met de ademhaling overeenstemmende bewegingen , waarbij tevens de mondspleet breeder en het gezigt rooder en voller pleegt te zijn, dan heeft er gewoonlijk een hevig ontstekingslijden der ademhalingswerktuigen plaats. Gelijktijdige omschreven roodheid op de jukbeenderen is de trouwe begeleidster van slepende ontsteking in het een of ander ingewand. Dit laatste tecken beschouwde men vroeger altijd als van longontsteking afhangend; het komt echter veel menigvuldiger bij buikontstekingen voor-

Aan den mond onderscheidt men eene sterk opgezette bovenlip, die vooral, wanneer dezelve met eene dikke neusspits verbonden voor. komt, klierziekte laat vermoeden. Zijn beide mondhoeken naar beneden getrokken, waardoor de mond eene boogvormige gedaante aanneemt, dan heeft men met een ontstekingachtig borstlijden te doen. Zijn daarentegen de mondhoeken naar binnen getrokken, waardoor om den mond heen straalvormige vouwen ontstaan, dan toont zulks tamelijk zeker eene ontsteking der ingewanden aan ; ook bij ontstekingachtige spruw zijn deze straalvormige vouwen dikwijls waargenomen.

Buiten de gelaatkunde hebben wij verder bij kinderen op den hoest te Ietten, welke omtrent den toestand van de ademhalingswcrktuigen de meeste opheldering geeft. Uoesten de kinderen behoorlijk door, dan heeft, men met eene catarrhale aandoening te doen. Zoeken zij daarentegen den hoest tegen te houden, en geven zij teekenen van pijn, dan is gewoonlijk eene ontsteking der longen, van het borstvlies , of wel van het strottenhoofd aanwezig. Hierbij valt intusschen op te merken, dat de hoest geen volstrekt noodzakelijk verschijnsel is, en C. Taupiji merkt te regt aan, dat bij verraderlijke longontstekingen, die met meningitis of koud vuur in den mond gepaai d gaan, en bij de pneumonia lobularis, dikwijls de hoest geheel ontbreekt. Maken de kinderen bij het hoesten een kort, huilend geluid, dan is moeijelijke ademhaling aanwezig, waarvan de oorzaak in verstopping en opzetting van de onderbuiksingewanden ligt. In het laatste geval plegen de kinderen ook wel, wanneer men dezelve onder de armen vat en opheft, den adem in te houden. De katarrhale hoest of de ontsteking der longpijpstakken, alsmede de longontsteking, erkent men bovendien aan den algemeen bekenden loon, en dikwijls ook aan het daarbij plaats hebbend slijmgereutel. Het knetterende gereutel wordt gewoonlijk in die ontsteking waargenomen, welke in de laatste vertakkingen der longpijpjes zetelt; dit gereutel is in geencn decle een pathognomonisch kenteeken van de longontsteking. De croup erkent men aan het heesche , kraaijende

Sluiten