Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baden. Voorzeker minder af te keuren , dan Sciiïeider's cft Armstrong's behandeling , is het voorschrift;, hetwelk Th. M. liuosms (1), als van Gölis afkomstig, heeft opgcteekend : (15', Aq. foenicul. Unc i/3. Magnes. gr. x. Tinctur. rhei aquos. dr. (3. Syrup. diacod. Unc 0. 8. theelepelsgewijze te gebruiken); slechts zouden wij , in plaats van syrupus diacodii, syrupus mannae verkiezen. Heyfelder (2) zegt de geelzucht meermalen met verharding van het celweefsel te hebben zien voorkomen , en vindt tusschen deze beide ziekten eene groote overeenkomst, in zoo verre als hij eene gemeenschappelijke oorzaak van beide gevallen, eenen door storingen in de ademhaling verwekten onvolkomen bloedsomloop, aanneemt, doordienhet bloed, zich niet langer tot den omloop door de longen bepalend , den voor het leven van het foetus cigendommelijken loop neemt, waardoor een sterkere toevloed van bloed naar de lever en de navelvaten en overvulling en stilstand van hetzelve in het stelsel der galbereiding ontstaat, daar het door genoemde wegen niet weder kan wegvloeijen. Ook de lijkopeningen zouden deze overeenkomst bevestigen, want in beide de kwalen zouden de ductus arteriosus Botalli, het foramen ovale en de ductus venosus Arantii niet gesloten, de galblaas en galbuizen met gal opgevuld , de dunne darmen geelachtig gekleurd, en de intestina crassa met groene, geleiachtige stukken opgepropt zijn. Daar wij geen kind aan de eenvoudige geelzucht der pasgeborenen hebben zien sterven, kunnen wij hieromtrent geen oordeel vellenj in drie gevallen intusschen, waarin wij de lijkopening, ten einde ons hiervan te overtuigen, bij kinderen deden, welke ieterisch waren, doch aan andere toevallen , te weten aan trismus gestorven waren, konden wij het door Heyfelder bij de lijkopening waargenomene niet ontdekken.

Zoo als vroeger Autenrieth , beschouwt bovendien ook nog Ciievreul (3) de geelzucht als verwant aan de verharding van het celweefsel. De overeenkomst meent hij daarin te vinden, dat hij bij de lijkopening van de aan den laatstgenoemden ziektevorin overleden kinderen, vooral bij het insnijden in de huid, een vocht uit dezelve zag vloeijen, wier hoofdbestanddeelen eiwitstof, eene geelkleurende stof en eer. groenkleurend beginsel waren, die ook in de gal en in het bloed van aan geelzucht lijdende kinderen aanwezig zijn. Alle deze vloeistoffen zag Cïievueul in wijd vaatwerk voor het grootste gedeelte stollen, eene vliezige, geleiachtige gedaante aannemen, en de kleurende bestanddeelen in een gering vloeibaar gedeelte achterblijven , waardoor hem het ontstaan van de celweefselverharding veel gemakkelijker te verklaren scheen. Het wezen van de celweefsel verharding stelt hij alzoo in de neiging van het bloed, om dadelijk, bij het buiten de vaten treden , te stollen , en beschouwt dezelve als eene icterische verharding. — Op Brescheï's aanraden stelde nu ook Lassaigne (4) proeven in, om de bij beide kwalen in de huid bevatte kleurstof te leeren kennen, en hieruit bleek, dat de geele zelfstandigheid , welke de huid van aan geelzucht lijdende kinderen kleurt,

(1) Hufeland's u. Osami's Journal f. pr. II. 182S. Marz.

(2) Beobachtungen iiber die Krankh. der Neugebornen. 11. s. w. Leipz.l82!5.

(0) Bulletin des seienees médicales, publié par .11. de Ferrussac; extrait

1824. Juin. — Froriep's Notizen fiir Natur- und Heilk. Bd. VIII. St.8. S.128.

(4) Froriep's Notizen. Bd. XIV. Nr. 8. 1826.

19

Sluiten