Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere gevallen houdt het eerste tijdperk twee tot drie dagen aan. Ge" durende dezen tijd zijn de kinderen treurig, kermen en weenen veel, ge" ven door het wenden van het ligchaam, het stooten met de voeten, buikpijnen en winderigheid te kennen , en gewoonlijk vindt men den buik meteoristisch opgezet. Daarbij is nu eens buikverstoppiug dan weder doorloop aanwezig. Inzonderheid begint de ziekte tamelijk algemeen met doorloop (cxi). Het tweede tijdperk begint met op zich zelve slaande kleine witte puntjes, welke nu eens het eerst aan de zijdelijke gedeelten of aan de punt van de tong, dan weder aan de inwendige vlakte der lippen te voorschijn komen, langzamerhand steeds in aantal toenemen, ineenvloeijen, en op die wijze dikwijls een dik, vliesachtig overtreksel vormen, hetwelk de geheele mondholte, ja zelfs den slokdarm en het gehemelte bedekt, en eene vuilwitte , somtijds ook geelachtige ja zelfs bruinachtige vlakte daarstelt. Is het gehemelte benevens de keel door dit vlies bedekt , dan gaat de toon der stem verloren en het geschreeuw van het zieke kind wordt heesch. Naar mate de ziekte eencn geringen of hoogen graad bereikt, vertoont zich het exsudaat in den vorm van enkele puntjes , van meer of minder breede vlakken, en van onafgebroken vliezen ; in zeldzame gevallen heeft het eene roodachtige kleur, en wel dan, wanneer aan de oppervlakte van het slijmvlies levens eene bloederige «itzweeting heeft plaats gehad. Somwijlen laat dit uit gestolde lymphe bestaande vlies op enkele plaatsen los, en dan verloonen zich de tepeltjes sterk ontwikkeld en rood; deze plaatsen worden echter, wanneer de ontsteking van het slijmvlies nog voortduurt, in zeer korten tijd met een nieuw, gewoonlijk echter iets dunner exsudaat bedekt. Billard zegt waargenomen te hebben, dat de drie vormen van uitzweeting gezamenlijk bij ieder kind voorkomen, en wel de puntvorm altijd aan de spits en de randen der tong, de tweede vorm aan de inwendige vlakte der lippen en wangen , en de derde op de basis der tong en aan het velum palatinum , en trekt daaruit het besluit, dat de kwaal haren zetel heeft in de tepeltjes, die aan de punt en de randen der tong kleiner, aan de lippen en wangen daarentegen breeder en op de basis van de tong en van het velum palatinum het breedst zijn. Pieper wil nu wel is waar niet ontkennen , dat de drie vormen somtijds gezamenlijk op deze wijze bij pasgeboren kinderen voorkomen, maar merkt daarbij aan, dat zij aan alle deelen van den mond worden waargenomen., en ook , zonder eenigen grondvorm, gemengd kunnen te voorschijn treden,

De pseudoinembraan bij de soor beschrijft Verson als week, breijig en reukeloos (cxn). Zij zoude zich onder het epilhelium vormen , en

(exi) Volgens Valleix neemt de soar zes of zeven dagen voor <le ontwikkeling van het tweede tijdperk met een meer of min uitgebreid erythema aan de billen en de achterzijde der dijen eenen aanvang; daarbij voegt zich d arrhae, welke in het begin niet van beduiding is, maar na twee a drie dagen zeer hevig wordt, terwijl de ontlaste stof aanvankelijk zeer geel gekleurd is; hieraan paren zich vervolgens de genoemde plaatselijke verschijnselen in den moud. — Valleix onderscheidt de zuiver plaatselijke soor van die met enteritis, als ook van die met algemeene collapsus, welkeieder een eigendominelijk geneesplan vereischen. Fert.

(exu) Kronenberg vond bij het onderzoek bet exsudaat slechts uit kleine bolletjes zamengesteld , welke naar vet- of melkbolletjes geleken. Eigen-

22

Sluiten