Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarom bfj koortsbewegingen cn bij tedere verhoogde wcrktladigheid van liet harten de vaten de toevallen erger worden , cn waarom bet tijdperk der tandvorming, voor dergelijke patiënten zoo gevaarlijk is, en tevens duidelijk , hoe bij hoest en verkoudheid telkens de ziektetoestand verergert. De nabijheid des doods verkondigt zich alsdan gewoonlijk door groote angst, zeer moeijelijke ademhaling , opzwellen der voeten en mat worden van de oogen. Ofschoon nu wel in de meeste gevallen de blaauwzucht van eene gemeenschapsoefening der beide helften van het hart en de daardoor ontstaande vermenging van het aderlijk en slagaderlijk bloed afhangt (cxxiv), heeft men toch ook enkele gevallen Waargenomen, waarin men , na doodelijk geworden blaauwzucht, dergelijke gebreken van het hart niet beeft kunnen opsporen. In die gevallen schijnt nu dooide eene of andere aanleidende oorzaak het aderlijk bloed over het slagaderlijk als het ware te heerschen. Hiertoe kunnen misschien Rociiarb's (1) waarnemingen van partieele blaauwzucht in acute dysenterie gebragt worden. —

De blaauwzucht kan echter ook van organische gebreken of andere ziekteoorzaken , door welke de kleine bloedsomloop onvolkomen plaat» heeft, en de verandering van aderlijk in slagaderlijk bloed moeijelijb gemaakt wordt, at hangen. Dusdanige oorzaken zijn waterophoopingeu in het borstvlies, ontstekingen, vergroeijingen, veretteringen of verhardingen , empyemata en andere gebreken der longen , welke aandoeningen uit den daarmede gepaard gaanden hoest en andere karakteristieke verschijnselen erkend worden (2). Ook het te spoedig afbinden van de navelstreng , voordat nog de ademhaling behoorlijk plaats heeft, kan deze gevolgen hebben. — Heyielder (3) nam de cyanosis ten gevolge van het ontbreken der linker, en Stein (4) bij liet afwezig zijn van de regter long waar. Deze onvolkomen bloedbereiding schijnt ook de oorzaak te zijn , waarom de blaauwzuehtige kinderen, teedere beenderen en een week, zwammig

(cxxiv) Gelijk dit reed:» uit de volgende en verder in dit hoofdstuk aangevoerde opmerkingen en gevolgtrekkingen van verschillende Schrijvers wedersproken wordt, kunnen ook wij de bewering van Meissner geenszins zoo gaaf aannemen. De naaste oorzaak der blaauwzucht schijnt voornamelijk gelegen te zijn in belemmerden terugvoer van het aderlijk bloed en deszelfs ophooping in de aderen , te weeg gebragt door organische of, in enkele gevallen, dynamische abnorniiteilen in de hoofdwerktuigen van den bloedsomloop. Hierdoor immers is het te verklaren , waarom de blaauwzuehtige staat niet constant is, maar de ziekte zich bij paroxysmen vertoont, lot wier opwekkking alsdan eeneligte oorzaak van vermeerderden bloeds aandrang naar de borst, als zuigen, schreeuwen, beweging enz. toereikende is. Ook zoude, wanneer Meissner toe te geven ware, de vrucht altijd lilaunw moeten zijn. Evenmin cehter als wij dit met den Schrijver kunnen instemmen, is ook , om dezelfde redenen , liet denkbeeld van Mllnrd aantenemeii , dal het gebrek aan oxygenatie de cyanosis zoude veroorzaken; alsdan moest, naar de oorzaak, ook het gevolg constant beslaan. Hel lijdt evenwel gccnen twijfel , dal al deze omstandigheden lot de ziekte bijdragen. Vert.

(1) Journ. hchdoinad. 1834. No. 55.

(2) Vergel. Meissncr's Eorclnuig. des 19 Jabihund. Bd VI. S. 214. sq.

(5) SchmiilCs Jahrb. Bd. V. S 156.

<4) Caspei's Woclienschrift. 1837, No, 55.

Sluiten