Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de inilt uitgestort; menigvuldiger vond men sleclits verweekte plaatsen in de maag, en deze door lucht uitgezet ; in dezelve bevond zich eene menigte slibberig , kleverig , halfdoorschijnend slijm. In een geval, waarin zich de spijspap tusschen de maag en milt had uitgestort, vertoonde zich de plaats , waar het middelrif met den maagbodem in aanraking was, groenachtig blaauw , en het buikvlies, dat hetzelve bekleedt, daar ter plaatse gedeeltelijk doorvreten, gedeeltelijk verweekt. Door scheikundige proeven vond Jüger, dat de inde maag gevondene vloeistof, overeenkomst vertoonde met het azijnzuur, en volgens zijn oordeel gaat aan dezen pathologischen toestand altijd eene ziekte voorat, welke, van het zenuwstelsel uitgaande, de afscheidingen en de terugwerking van het darmkanaal op deszelfs inhoud .ziekelijk verandert; het gevolg daarvan zoude zijn eene overmatige vorming van azijnzuur, welke de geleiachtige oplossing van de vliezen bewerkt. In dit gevoelen deelden Jater ook Leichossek , Vogel en Wiesmann. — Pitscbaïi is, na de door hem gedane lijkopeningen, van oordeel , dat de ziekte in een langzaam verrottingsproces van de maagvliezen bestaat. F. J. Matthyssens (1) neemt vier verschillende wijzen van ontstaan der maagverweeking aan, en onderscheidt 1) eene verweeking van ontstekingachtigen aard; 2) eene geleiachtige verweeking; 3) eene breijige , cadavereuse, en 4) eene verweeking door vergevorderde rotting. Fleischmakn (2) leidt deze ziekte af uit eene, ten gevolge van het gestoorde dynamismus tusschen de milt, als het bij uitnemendheid tot ontwikkeling van waterstof dienend werktuig , en de maag, in welke de zuurstofvorming de overhand heeft, te groote zuurstofvorming in de maag , waardoor derzelver vliezen opgelost worden. Cruveiliiier (3) gelooft, dat het darmkanaal op eenen vroegeren trap van ontwikkeling, waarbij de meeste weefsels nog geleiachtig zijn, is blijven staan. Richter en Heusinger daarentegen beschouwen de gastromalacie als teruggang in de vorming tot op een vroeger ontwikkelingstijdperk, waarbij de opslorpende werkdadigheid voorheerscht. HoprESGaRXNER beschouwt het wezen der ziekte als bestaande in eene plaatselijke vernietiging der vegetatie , en ligt het eerste product der ziekte eene scheikundige inwerking op de maag te grond. G. Hirsch (4) verklaart de gastromalacie niet voor eene bijzondere ziekte, maar sleckts voor den uitgang van den doorloop , die door het tandenmaken wordt voortgebragt. Ook Uarrier (5j houdt dezelve slechts voor het gevolg van eene voorafgegane ziekte , en gelooft wel, dat, door eene scheikundige inwerking van het zieke maagsap , reeds gedurende het leven eene verweeking van het slijmvlies kan beginnen, doch houdt zich overtuigd, deze laatste meestal eerst na den dood tot stand komt (civn). Laisnê (6) is van gevoelen , dat de verweeking en doorboring van de maag door een organisch gif wordt voortgc-

(1) Archiv. de médéc. Beige. 1840. Mai.

(2) LeichenöfTnungen. Erlangen , 1813.

(5) Ueber die gallertartige Erweichung des Magens und der Gedarme. Aus dem Franz. von Dr. Vogel. Liegnitz. 1823. 8.

(4) H xtfeland's Journal der praet. Hcilk. 1840. April.

(ö) Traité pratique des maladies de 1'enfance. Tom. II. p.235. Paris,1842.

(clvii) Ook Canstatt is van hetzelfde gevoelen. Nooit , meent hij ,

(6) Diss. Considerations medico-légales, sur les érosions et perforalions spontances de 1'estomac, Paris, 181Ö.

Sluiten