Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen hebben de in de eerste levensjaren voorkomende ziekteverschijnselen met meer opmerkzaamheid te behandelen.

In den regelmatigen toestand plegen na het eerste halfjaar in de onderkaak de twee middelste snijtanden door te breken , op welke dc tegen dezelve overstaande in de bovenkaak volgen. Daarop komen de andere snijtanden, en na deze, de vier eerste baktanden te voorschijn. Eerst na deze plegen de hoektanden te verschijnen, op welke nog vier baktanden of kiezen volgen. Deze twintig tanden worden melktanden (dentes lactantes) genoemd, en zijn gewoonlijk op het einde van het tweede levensjaar, of ten minste korten tijd daarna aanwezig. In deze orde breken de tanden echter niet altijd door. A. A. Brunner (1) zag eenen baktand het eerst doorbreken. Lambert (2) zag bij een kind van 14 dagen eenen hoektand doorkomen , die binnen twee weken 1 \ duim lang werd. In zeldzame gevallen geschiedt het doorbreken der tanden ongewoon laat. Doges (3) maakt van een geval gewag, waarin zulks eerst in het 11de levensjaar plaats had, en saietlie verhaalt zelfs een geval, waarin de tanden eerst in het 21 of 22 levensjaar te voorschijn kwamen. Het zeldzaamst geschiedt het, dat menschen het geheele leven door tandloos blijven, zoo als Valerios Maxihus van koning Pïrrhds verhaalt.

Als voorboden van het doorbreken der tanden neemt men eene duidelijke zwelling en het breederworden van het tandvleesch , vermeerderde warmte van hetzelve, zeer vermeerderde speekselafscheiding , eene kaauwende beweging der kaken , bijten op de vingers of op ieder in den mond gebragt ligchaam, wijd openen van den mond en vertrekken van de mondhoeken waar. Komen de tanden spoedig door, dan wordt het tandvleesch rood , of zoo als Gölis zegt rozenrood , voor iedere aanraking zeer gevoelig, heet, en het speeksel vloeit in veel grootere hoeveelheid dan gewoonlijk uit den mond. Böur (4) meent, dat het speeksel ook van hoedanigheid verandert en scherp wordt, zoodat de deelen , waarmede het in aanraking is, rood en ontstoken worden , en dat zich misschien door het inslikken van hetzelve gedeeltelijk de prikkeling, de vermeerderde «lijmafscheiding en de verhoogde peristaltische en antiperistaltische beweging van het darmkanaal, of met andere woorden , den doorloop en braken zouden laten verklaren, die bijna standvastige begeleiders van het doorbreken der tanden zijn. Over het geheel zijn de kinderen bij het tandenmaken eigenzinnig, slapen onrustig, worden slap, zijn niet in staat het hoofd regt op te houden , maai- leggen het altijd op de schouders der verzorgsters die zij dikwijls alleen om zich heen dulden. Zij verzetten zich daarbij tegen al wat voedsel is , en hebben inzonderheid eenen afkeer van alle warme spijzen en dranken, terwijl zij daarentegen gaarne koud water drinken. Grootere kinderen , die reeds loopen konden , willen niet meer staan, maar voortdurend op den arm rondgedragen worden.

(1) Abhdl. von der Hervorbreeliung der Milchzahne. Wien. 1771. 8.

(2) Provinzial Sanitalsbcricht des Königl. Kolleg zu Königsberg für das Semester 1858. Königsb. 1837. 8.

(3) Dielionnaire de Méd. et de Chirurg, pratiques , par 1U. 31. Andral, Bêijin , Blandin etc. Tom. VI. I'aris 1834.

(4) Vóhr das Zalmen der Kinder als Krankhcit in iïust's Magazin. Band 42. Heft 2.

Sluiten