Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn zij voor geene verdere ontwikkeling meer vatbaar , maar ondergaan eenen teruggang in de vorming , veranderen in eene breijige massa en worden opgeslorpt. Gaat de vormlooze uitstorting in plaats van tot korrelhoudende cellen tot blijvende cellen en weefsels , of tot etlerligchaampies over, ol komt het tot de vorming van abnormale, onvolledige korrelhoudende cellen , zoo als wij zulks eenmaal bij eene met typhus gepaard gaande meningitis waarnamen dan heelt er in geen dezer gevallen opslorping plaats.' Wet hoofdvereischte tot de opslorping is derhalve daarin gelegen , dat het uitziveetsei de bepaalde vatbaarheid heeft, om zich juist tot korrelhoudende cellen en tot niets meer en niets minder te ontwikkelen.

Deze bepaalde vatbaarheid tot ontwikkeling han^t echter inzonderheid af van de scheikundige gesteldheid van de uitstorting zelve en van die van de zieke bewerktuiging, inzonderheid van de scheikundige tegenstelling en de aantrekking , welke zich na plaats gehad hebbende uitstorting tusschen vaste en vloeibare stoffen , tusschen loogen en zuren in dezelve ontwikkelt ; eigenschappen die tot heden toe nog veel te weinig bekend zijn ; vaa daar dat men pleegt te zeggen , dat de opslorping onder den invloed van de levenskracht staat. Ten minste laat het zich uit dit oogpunt beschouwd verklaren, waarom vezelstoffige uitstortingen in het zachte vaatvlies het menigvuldigsi; eiwitachtige, zoo als wij dezelve in den typhus waarnemen , veel zeldzamer , en tuberkuleuse volstrekt niet opgeslorpt worden , en waarom de opslorping in vermagerde kwaadsappige gestellen in het algemeen "niet ligt kan plaats vinden. Uit dit weinige over de opslorping gezegde zal men kunnen opmaken , dat wij aan het ziekbed slechts zeer weinige teekenen hebben, waaruit wij de opslorping kunnen voorspellen.

Op vliezen heeft de opslorping gemeenlijk gemakkelijker plaats , dan in parenchymateuse weefsels, en zij geschiedt des te sneller, hoe rijker dezelve aan vaten en hoe uitgebreider zij zijn. Uit de gesteldheid van het zachte vaatvlies volgt derhalve, dat het vezelstoffioe uitzweetsel van hetzelve niet slechts dikwijls , maar ook

Sluiten