Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid uit het digte en minder bloedrijke weefsel van liet harde hersenvlies volgt, dat de ontstekingen van hetzelve geenen hoogen graad van hevigheid bereiken , dat zij geene in het oog loopende stoornissen in de hersenverrigtingen voortbrengen , dat zij zich doorgaans tot het voortbrengen van eene op eene bepaalde plaats gezetelde hoofdpijn bepalen , dat zij , daar zij met ontsteking der schedelbeenderen gepaard gaan, zich gewoonlijk door gevoeligheid bij drukking op deze met den vinger te kennen geven , dat zij steeds een slepend beloop houden, en dat zij niet op en door zich zelve, wel echter door aandoening van het zachte vaatvlies doodelijk worden.

Hetzelfde geldt in alle opzigten van de kankerachtige uitstorting op het harde hersenvlies. De kankerachtige uitstorting op het harde hersenvlies ontstaat in kleine omschreven eilandjes , en op verre na niet zoo snel, als die van de longen, zij breidt zich dus slechts allengskens door opeenvoeging over eene aanzienlijke oppervlakte van hetzelve uit , waarbij zij meer platte lagen , dan uitpuilende knobbels vormt. Het is dus te begrijpen , dat de kankerachtige uitstorting , even als de ontsteking van het zachte vaatvlies , zonder in het oogloopende koorts, zonder ijlen, braken, stuipen , en de overige verschijnselen van hersenprikkeling en hersentorpor ontstaan en ook verder verloopen zal. De exsudaatkanker bereikt bijna nooit dien graad van bewerktuiging, welken de kankerknobbel pleegt te bereiken ; hij bezit noch den omvang , noch den rijkdom aan vaten en de zweibaarheid van denzelven ; de periodieke aanvallen van hyperaemie , ijlen , sopor , stuipen , verlammingen , enz. komen dus bij hem niet voor.

Daarentegen is de drukking , welke de exsudaatkanker op de hersenen uitoefent , juist omdat hij niet voor eenen zoodanigen graad van zwelling en verandering in omvang vatbaar is, gelijkmatig aanhoudend, terwijl zelfs de hevigste verschijnselen van hersenprikkeling en hersendrukking bij den kankerknobbel van tijd tol lijd volkomene tusschenpoozingen maken. Eene omschreven doch aanhoudende, inde streek der wandbeenderen vastzittende

Sluiten