Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hiel en door de fistels henen gemaakt \rord, kloofde ik alle zachte deelen, die het been bedekten en maakte daarna van dit laatste de vier lappen zoo ver los, dat ik een' vrijen toegang had tot zijn achterste gedeelte. Het been was aan de binnen- en buitenzijde van zijn achterste uitsteeksel in den omvang van ongeveer een dubbeltje verwoest en deze openingen voerden in eene holte. Met eene gewone kleine handzaag deed ik eene snede ongeveer '/» duim onder de bovenvlakte des uitsteeksels en evenwijdig met deze van achteren naar voren en eene tweede van onderen naar boven loodregt op het uiteinde der eerste. Hierdoor sneed ik het carieuse gedeelte uit en opende de genoemde holte, waarin een groot carieus beenstuk lag, dat gemakkelijk kon weggenomen worden, terwijl men aan zijn smal voorste stuk nog een gedeelte der met het os cuboideum vereenigde gewrichtsvlakte kon bespeuren. In de holte zelve was het been nergens ontbloot of ziekelijk op het gevoel, maar geheel met weeke granulatiën bedekt. Ten laatste werd in de diepte der wond een weinig pluksel gelegd en door den ondersten wondhoek naar buiten gebragt, de huidlappen werden weder in hunne natuurlijke ligging gebragt en zoo door hechtpleister bevestigd. - Eenige dagen na deze kunstbewerking ontstond eene phlebitis aan het lijdende gewricht, waardoor de vena saphena interna in het midden der dij werd aangetast en die zich tot onder de knie uitstrekte; den 1 Oen dag kreeg de lijder eene hevige 'schuddende koude, bleekgele gelaatskleur, zeer versnelden pols, daarbij groote gevoeligheid van den buik aan de regter zijde der witte lijn, wanneer men diep tegen de regter zijde der wervelkolom drukte, en aan diezelfde zijde voelde men de klopping der aörta; eindelijk bespeurde

Sluiten