Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezweek , zoodat ik gelegenheid kreeg den geopereerden voet te onderzoeken. Aan den hiel waren de zachte deelen vast en goed genezen en met het been, ter plaatse der resectie, door een digt celweefsel vereenigd; dit vulde ook de holte op, die in het hielbeen was aanwezig geweest en door de kunstbewerking was geopend; maar deze holte was aan haar voorste gedeelte ook door een nieuw fijncellig been weefsel gesloten, zoodat, na de maceratie, het bij de kunstbewerking verwijderd beenstuk geene plaats meer in dezelve vond. De doorsnee vlakten van het been vertoonden datzelfde fijncellig beenweefsel en waren aan hare randen afgerond; het overgeblevene bovenste gedeelte van het achterste stuk de3 hielbeens was ten deele verdwenen en wel zóó, dat de plaats van inplanting der Achillespees behouden was, maar met het overige been minder door een klein normaal overblijfsel in verbinding • stond, dan wel voornamelijk door een' sterken nieuw gevormden beenrand, die zich naar binnen en langs de geheele binnenvlakte van het hielbeen uitstrekte en voor de werking der kuitspieren volkomen voldoende scheen te zijn. De beenderen van den voetwortel waren met het scheen- en kuitbeen, alsook onder elkander en met de 4 laatste voorvoetsbeenderen door beenige ankylosis onbewegelijk verbonden , die blijkbaar reeds tijdens de hevige ontsteking was ontstaan , welke de caries was voorafgegaan. Ook het scheen- en kuitbeen waren aan hun onderste gedeelte geheel en al versmolten en door nieuw afgezette beenstof niet slechts hier, maar ongeveer ter lengte van 5 duimen aanmerkelijk verdikt. De vroeger carieuse plaats van het scheenbeen, die zich tot in de mergholte had uitgestrekt, was insgelijks stevig gesloten, met een vast celweefsel gevuld en met liet likteeken der huid vereenigd.

Sluiten