Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door mij uitgedachte en den 26stcn Januarij 1842 het eerst aan het elleboogsgewricht uitgevoerde (*) methode is naar mijn gevoelen in de operatie der likteekens eene schrede voorwaarts gedaan, die te wezenlijker is, daar het aanwenden der methode aan andere deelen zich als van zelf voordoet. De overbrenging op het kniegewricht lag het eerst voor de hand en wij vinden dezelve voor dit, zoowel als voor het elleboogsgewricht door Dieitenbach (**) beschreven. Bovendien heb ik van dezelve aan den vinger gebruik gemaakt, doch van bijzonder gewigt schijnt mij hare aanwending bij likteekens aan den hals te zijn, welke de beweging van het hoofd hinderen en te groot zijn, om geheel geëxstirpeerd te worden. Van deze aanwending geven de beide volgende gevallen een voorbeeld.

Vrouw II e, 40 jaren oud, uit Guesnitz in het

Schönburgsche, had, ten gevolge van radesyge-verzweringen, waarvan zij in de kliniek genezen was, zulke groote likteekens overgehouden , dat aan het geheele aangezigt, tot achter de ooren, volstrekt geene en aan het voorste gedeelte van den hals zeer weinig natuurlijke huid te vinden was. Eene dikke likteekenstreng strekte zich van de regio suprahyoidea, alwaar zij vlak achter de kaak met eene breede grondvlakte eenen aanvang nam , langs de voorzijde van den hals naar het handvat des borstbeens uit, waarop dezelve zich met onderscheidene vertakkingen uitbreidde en eene dikke, hooge plooi vormde. Dit likteeken hield het hoofd sterk tegen de borst gebogen en kwam, bij eene poging om het boofd op te ligten, meer en sterker te voorschijn. Om

(*) Med. Zeitung des Vereins für Heilk. in Pr. 1844. n°. 41 , S. 190.

<**) Operative Chirurgie. I. Leipzig, 1845, S. 231.

Sluiten