Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een vooruitstekend likteeken, dat zich van het bovenste tot het onderste ooglid uitstrekt en van den neusrand tot over den binnenooghoek verbreidt: bij den anderen, den eigenlijken epicanthus, is door een likteeken aan het bovenste of onderste ooglid of aan beiden te gelijk de overige natuurlijke huid aan de grens van den neus in eene vouw of plooi over den binnenooghoek uitgebreid, zoodat deze meer of minder door die huidplooi bedekt is, en deze kan zoo ver uitsteken, dat zij niet slechts wanvormig, maar zelfs storend is. Deze epicanthus kan, zooale van zelf blijkt, niet even als de aangeborene door middel der rhinorrhaplie geopereerd, maar de abnormale huidplooi zelve moet weggenomen worden. Dit zeide ik reeds in mijn Handbuch der Akiurgie, 2 Aujl. II. S. 51, terug ziende op een vroeger door mij met goed gevolg geopereerd geval. Dieffenbacii beweert echter daartegen, dat hij evenmin als v. Ammon deze handelwijze voordeelig bevonden heeft en dat hij bij epicanthus aan ééne zijde met goed gevolg een myrtenbladvormig huidstuk tusschen de plooi en den neusrug uit de resp. neuszijde weggesneden heeft. Wanneer dit niet bij eenen aangeboren epicanthus geschiedde,— die, als ik eene mededeeling van v. Ammon goed begrijp, in zeldzame gevallen ook aan écne zijde voorkomt, — zoo moeten de oorzakelijke en andere omstandigheden van het gebrek van eenen eigendommelijken aard wezen; de epicanthus kan niet door likteekens te weeg gebragt geweest zijn, zoo als in het door mij aangehaalde geval, want in de voorbeelden, die mij zijn voorgekomen, kon de plooi — gelijk gezegd is — niet naar den neus vertrokken worden. Zulks kan men ook volstrekt niet verwachten , dewijl dc plooi door een likteeken aan de oogleden gevormd en vast-

Sluiten