Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oefent daarna de stand van den kop in de ruimte nog wel invloed uit op den tonus der strekspieren en, in zooverre het de extremiteiten betreft, op de spieren van beide zijden. De invloed van het eene intact gebleven labyrinth is zelfs op de spieren der eene zijde even sterk en geheel gelijk als op die der andere zijde.

Daarentegen is de invloed van elk labyrinth op de halsspieren slechts een éénzijdige. Na extirpatie van een der labyrinthen wordt de tonus van de halsspieren der eene zijde veel sterker dan van de spieren der andere zijde, met als gevolg daarvan het optreden van een kopdraaiing. Het tonusverschil der beide halshelften en dus ook de kopdraaiing is het sterkst als de kop in den maximumstand gebracht wordt, het kleinst bij den minimumstand van den kop, maar ook dan nog is het zeer sterk. De kopdraaiing is steeds gericht naar de zijde van het geëxtirpeerde labyrinth. Ze bedraagt vaak meer dan 90°, ja gaat tot 135°, soms zelfs tot 180°.

De labyrinthen zenden dus prikkels uit, welke medehelpen den tonus der spieren te regelen. Elk labyrinth zendt prikkels uit naar de ledematenspieren van beide zijden en naar de halsspieren van slechts eene zijde.

Tonische halsreflexen.

Bij het onderzoek op de boven beschreven tonische labyrinthreflexen moet men steeds zorg dragen, dat bij verandering van den kopstand ten opzichte van de ruimte, de stand van den kop ten opzichte van den romp dezelfde blijft. Van uit de diepere halsdeelen gaan namelijk ook reflexprikkels naar de extremiteitenspieren en ook deze prikkels beinvloeden den spiertonus. Deze tonische halsreflexen maken, dat bij een opgeheven zijn van den kop de voorpooten gestrekt zijn, daarentegen geven ze bij een voorovergebogen kop buigstand der voorpooten. (De invloed op de achterpooten is bij verschillende dieren verschillend; bij kat en hond geeft de opgeheven kop buiging, bij het konijn strekking der achterpooten).

Bij een gedraaiden of gewenden kop hebben de strekspieren der beide extremiteiten van de zijde, waarheen de onderkaak gedraaid of gewend is, verhoogden tonus. De strekspieren van de extremiteiten der andere zijde, waarheen het schedeldak gericht is, hebben daarentegen verlaagden tonus. Aan deze zijde kan de tonus der buigspieren verhoogd zijn.

Is de hals in zijn geheel ventraalwaarts verschoven door druk op de doornuitsteeksels van de onderste halswervels, dan hebben alle vier de extremiteiten verminderden strektonus, worden alle vier de pooten gebogen gehouden (vertebra-prominensreflex).

Dit zijn geen labyrinthreflexen; labyrinthlooze dieren vertoonen deze reflexen ook en geheel eender. Daarentegen heeft de houding van den hals geen invloed meer op den spiertonus hij dieren, waarvan de achterwortels der cervicaalzenuwen zijn doorgesneden. Het zijn dus halsreflexen. De prikkels ontstaan, in de diepere halsdeelen.

Alle spierspanningen, verwekt door den een of anderen stand van den

Sluiten