Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G-aan nu deze beide reacties uit van ééne macula, waarin de otolith dan zoowel bij hangen, trekken, als bij drukken prikkels verwekt of is er een aparte macula voor de musculi obliqui superiores en één voor de musculi obliqui inferiores in elk labyrinth?

Dit vraagstuk, voor welks oplossing noodig zijn juiste curven van de rotatoire afwijkingen bij de verschillende kopstanden in de ruimte door den musculus obliquus superior en door den musculus inferior afzonderlek, dus van oogen, waarvan alle oogspieren doorgesneden zijn uitgezonderd één musculus obliquus, ter bepaling van de kopstanden bij welke elk der musculi obliqui de maximale en minimale afwijking geeft, is door Magnus en de Kleyn nog niet afdoende uitgewerkt. Wel trok door het bezitten van een eigen innervatie door een ramus utricularis het dorsale kwabje van den sacculus hun aandacht. Of dit een rol en welke rol dit hierbij speelt is nog niet uitgemaakt. Het mechanisme der rotatoire compensatoire oogstanden en de functie van het zeer kleine en gebogen maculavlakje van het dorsale sacculusstuk zijn nog onopgehelderd.

De oorsprong van de reflexen, opgewekt door een bepaalden stand van het labyrinth is dus volgens Magnus en de Kleyn aldus over de otolithen verdeeld:

Utriculusotolith.

1. tonische labyrinthreflexen op de extremiteiten,

één utriculus oefent invloed uit op de extremiteiten van beide zyden;

2. tonische labyrinthreflexen op de halsspieren,

één utriculus slechts invloed op één halshelft;

(3. labyrinthoprichtreflexen van uit den voorovergebogen en opgeheven kopstand).

Sacculushoofdstuk.

1. labyrinthoprichtreflexen (van uit zijligiging) ;

2. verticale compensatoire oogafwijkingen,

één sacculus prikkelt den gelijkzijdigen musc. reet. sup. en den gekruisten musc. reet. inf.

Rotatoire oogdeviaties,

één otolith prikkelt beide musc. obliq. superiores,

één otolith prikkelt beide musc. obliq. inferiores.

Dat bovenstaande reflexen werkelijk otolithenreflexen waren, werd nog op andere wijze aangetoond. Wittmaack vond, dat men door centrifugeeren (V2—% minuut met een snelheid van 2000 omwentelingen per minuut) bij caviae de otolithen kon afslingeren, terwijl de booggangen daarbij intact bleven. Magnus en de Kleyn hebben dit toegepast en vonden werkelijk, dat

Sluiten