Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nucleus Deiters gelaedeerd. Een invloed hiervan was op de stijfheid niet bemerkbaar geweest. Ook zag Magnus 11a cerebellumextirpatie bij een thalamuskonijn het blijven voortbestaan van een geheel normalen tonus. Hiermede was dus afdoende aangetoond, dat het cerebellum niet het orgaan was voor den „statotonus", zooals Edinger meende, en dat de reflexboog van de stijfheid buiten het cerebellum omgaat.

In 1917 zagen Cobb, Bailey en Holtz ('29), dat electrische prikkeling van het cerebellum een stijfheid, opgewekt door een dwarse snede door het mesencephalon vóór den nucleus ruber, deed verdwijnen, maar geen invloed had op een stijfheid ten gevolge van eene decerebratie achter deze kern. Ze meenden daarom twee vormen van stijfheid te moeten aannemen. De remmende invloed van het cerebellum op den eersten vorm gaat volgens hen uit van den nucleus dentatus en van daar langs de bracchii conjunctivi cerebelli naar den nucleus ruber en niet van uit de cerebellumschors.

Ook Bremer (15) vond in 1922 bij cerebellumprikkeling, evenals de vorige schrijvers en ook in overeenstemming met Sherrington, Horsley en Löwenthal, Thiele en Weed een remmenden invloed op den extensortonus en ook hij zag, dat deze invloed niet meer bestond 11a decerebratie caudaal van den nucleus ruber. In tegenstelling met Oobb, Bailey en Holtz vond echter Bremer dat de stijfheid, welke optrad 11a wegname van de roode kern -fhet cerebellum zeker niet geringer of minder plastisch was, dan na hoogere decerebraties en verder, dat de remmende invloed van de schors van het cerebellum uitging en wel van dat deel van de schors van den lobus anterior cerebelli, waarvan Ingvar (70) aangetoond heeft, dat daarin de spinocerebellaire vezels eindigen. Van hier gaan volgens hem de remmende prikkels langs een fastigio-rubrale baan door de bracchii conjunctivi naar de roode kern. Deze remmende invloed is volgens hem een autoregulatie der extensoren. Deze spieren zenden proprioceptieve prikkels naar de schors der kleine hersenen en vandaar naar de roode kern.

Samenvattend blijkt uit al het voorgaande:

I. dat de reflexboog voor de stijfheid niet over het cerebellum gaat;

II. dat cerebellumprikkeling geen invloed heeft op een decerebratiestijfheid, veroorzaakt door een doorsnijding van het mesencephalon achter de roode kern;

III. dat het cerebellum misschien een extensie remmenden invloed heeft gaande over den nucleus ruber en dat de uitval van dezen invloed misschien de tijdelijk optredende stijfheid veroorzaakt, welke Thiele e. a. zagen na partieele eerebellumextirpaties bij intacte dieren.

We hebben in het voorgaande alleen nagegaan de verschillende onderzoekingen omtrent den invloed van het cerebellum op de ontherseningsstijfheid. Behalve deze bestaan nog zeer talrijke waarnemingen over den invloed van partieele laesies der kleine hersenen op den spiertonus, welke niet allen hier medegedeeld kunnen worden. Ingvar wees nog eens op de oude waarneming, dat na laesies van den vermis vaak een retractie van den nek, gepaard met strekking der pooten optreedt. Hij wees erop, dat dit echter niet hetzelfde als ontherseningsstijfheid is, daar door deze retractie de dieren achterover over den kop duikelen en zich

Sluiten