Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van 1— 10 „ 11— 60 „ 60—100

Bevolking. M. V. 49.1 50.9 43.5 56.5 36.9 63.1

Cholera-sterfte. M. Y. 49.1 50.9. 49.1 50.9. 36.5 63.5.

Yatten wij liet geheel zamen, in aanmerking nemende dat voor de eerste jaren van het 2de decenninum het onderscheid in het geslacht niet zoo sterk spreekt en voor den leeftijd van 51—61 jaar het verschil hoofdzakelijk gelegen is in de 5 eerste jaren dan mogen wij hesluiten , dat tijdens den leeftijd waarin de man arheid verrigt (van 13—55 jaar), (immers onder de volksklasse vangt na het twaalfde jaar het verrigten van arheid aan, hetgeen met + het 55° jaar ophoudt), hij naar evenredigheid vatbaarder schijnt te zijn voor Cholera dan de vrouw.

Tijdens de jeugd vinden wij geen, tijdens den ouderdom weinig verschil, als wanneer aan de zijde der vrouw de sterfte iets grooter is.

Indien wij echter een blik slaan op de verhoudingen, die er bestaan in de bevolking voor de verschillende levenstijdperken tusschen het aantal mannen en vrouwen, dan treft ons zeer, dat, terwijl in de kinderlijke jaren er geen verschil bestaat, hoe verder wij gaan, de verhouding steeds ten gunste der vrouw stijgt tot eindelijk er bijna dubbel zooveel vrouwen dan mannen zijn.

Door gewone sterfte schijnt dus ook de man meer dan de vrouw te sneuvelen, zoodat het ons voorkomt dat de Cholera-sterfte niet die buitengewone uitzondering maakt, maar dat er eene oorzaak moet zijn, die zoo wel aan gewone ziekten als aan cholera de gelegenheid verschaft den man meer dan de vrouw uit het leven weg te rukken.

Sluiten