Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens plaat IV mogen wij dus besluiten voor de epidemie van 1848—1849.

1°. Dat de epidemie, in het laatst van Oct. 1848 ontstaan, en tot het midden van December steeds geklommen, na sterke temperatuur-dalingen belangrijk verminderde.

2°. Dat zij langzaam bleef voortbestaan gedurende lage temperatuur.

3°. Dat zij, na in April en Mei nagenoeg opgehouden te zijn, in Junij wederom na voorafgaanden hoogen thermométerstand zich sterk ontwikkelde, om

4°. Onder belangrijke daling der temperatuur geheel op te houden.

Bij eene minder algemeene beschouwing zien wij ook, dat op de tijdelijke rijzingen en dalingen of stilstand, evenals voor 1866, de regen invloed uitoefende.

Hoewel niet bepaaldelijk gelegen op mijnen weg van arbeid, wil ik eene enkele blik werpen op de epidemie van ons geheele land in 1866.

Aan het wekelijksch overzicht der Utrechtsche epidemie, Hoofdstuk I, afd. b, pag. 25, voegden wij de wekelijksche staat der geheele Nederlandsche epidemie toe, met het oog om daardoor te laten zien, welke groote overeenkomsten deze beiden ons aanbieden.

Terzelfder tijd ontstaan, ontwikkelden zij zich even hevig; terwijl dalingen en nieuwe rijzingen nagenoeg ter zelfder tijd geschiedden, om eindelijk gezamentlijk in kracht af te nemen en gelijktijdig nagenoeg op te houden. Welk eene ontegenzeggelijke overeenkomst!

Geene twijfel dus, of beiden worden zij door dezelfde wetten geregeerd, na door dezelfde oorzaak ontstaan te zijn, en geen wonder alsdan, dat wij de weersgesteldheid die, volgens de bovengegevene aanteekeningen, op het verloop der Utrechtsche epidemie

Sluiten