Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brengen wij in rekening dat sommige woningen in de binnenwijken buitengewoon bevolkt zijn, b.v. de kazernen in wijk A en H en de gestichten (kranzinnigen, diaconessen, oude mannen- en vrouwenhuizen, weeshuizen) in de verschillende wijken, die wij niet in de buitenwijken aantreffen, dan maakt dit wel eenig, doch geen groot verschil.

Hiervoor meenen wij echter eene andere oorzaak te moeten aangeven, en wel deze:

1°. Dat in de binnenwijken meerdere huisgezinnen in één huis wonen, zoowel in de meer voorname als in de minder gegoede huizen, hetgeen ook deels van toepassing voor de oudste gedeelten der buitenwijken is.

2°. Dat de buitenwijken grootendeels bestaan uit arbeiderswoningen slechts voor één huisgezin ingerigt, hetgeen een feit is dat volgt uit de volgende opgave.

Op 1 Jan. 1860 woondenin de binnenwijken 39421 pers. in 6224 huizen. „ „ „ 1866 „ „ „ 42315 „ 6241 „

„ „ ,, 1860 „ „ buitenwijken 13397 „ 2765 „ „ „ „ 1866 „ „ „ 16680 „ 35S6 „

De meerdere inwoners in de binnenwijken sedert de laatste 6 jaren vonden dus bijna geene afzonderlijke woning, terwijl voor de 8283 in de buitenwijken meerdere inwoners 831 huizen gebouwd werden, en dus voor ieder huisgezin, gemiddeld 4 personen, eene afzonderlijke woning.

Op de bevolking groot 58995 stierven dus 1614 aan Cholera of wel van de 36 inwoners I, dus 2.7 */. > — welk getal vergroot wordt, indien wij, de aan vermoedelijke Cholera gestorvenen, in rekening brengen.

Volgens de verhouding ten opzichte der bevolking in de ver-

Sluiten