Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch niet gescheiden mag worden. Deze eenheid bestaat niet alleen in de jongere stadia der ontwikkeling, doch ook in veel oudere, misschien zelfs bij volwassen ruggemergen.

Daarenboven staat het kanaal onder invloed van den liquor cerebrospinalis, die althans gedurende een zekere periode der foetale ontwikkeling vrije communicatie van canalis centralis uit met ventrikels en subarachnoïdale ruimten bezit.

Ook dit heeft belangrijke consequenties. Immers elke afwijking in den liquor cerebrospinalis heeft invloed op het ependym en deze onderlinge samenhang gaat nog verder wanneer wij aannemen dat het ependym eenbelangrijk onderdeel is van de liquor-barrière.

Wij kunnen dus in de eerste plaats afwijkingen verwachten in het ependym onder den invloed van veranderingen in den liquor cerebrospinalis.

Daar het kanaal in zijn geheele lengte open is gebleven heeft het overal bloot gestaan aan dergelijke invloeden.

Van welken aard deze veranderingen waren, is achteraf moeilijk uit te maken. Het is mogelijk, dat hierbij slechts mechanische momenten een rol spelen (stuwing, druk), het is ook mogelijk, dat toxisch-infectieuze momenten meedoen.

Niet alleen bij de aangeboren misvormingen, doch ook bij het experiment (Roussy, v. Valkenburg) en in de pathologie van volwassenen ziet men dergelijke woekeringen na één of andere noxe optreden.

Ik wil dan ook met nadruk opmerken, dat ik de afwijkingen, die ik bij mijn misvorming vond, niet opvat als specifiek voor hemicephalen. Neen, integendeel, woekeringen van het ependym onder genoemde invloeden worden herhaaldelijk gevonden. Van de voorkomende variaties in conus en filum terminale is te weinig bekend, dan dat ik mijn vondsten als specifiek mag beschouwen, als eigenaardigheden van de hemicephale misvorming.

(V ermeulen, één der weinigen die een belangrijke bijdrage leverde tot dit vergeten hoofdstuk der anatomie, vertelt weinig over de eigenaardigheden van het ependym.)

Er is echter een andere rubriek van afwijkingen, die veel meer behooren tot het eigen terrein van de misvormingen van het centrale zenuwstelsel. Dat is de verstoring van het evenwicht van de eenheid, die het ruggemerg of de oblongata vormt. Bij den hemicephaal hebben wij te maken met ontbreken van belangrijke gedeelten van het ruggemerg.

Het is a priori reeds te verwachten dat het organisme het daarbij niet laat!

Ik geloof, dat het wenschelijk is, nu nog eens samenvattend de afwijkingen in den bouw van de oblongata te bespreken. Het gaat immers niet aan, al het daar gevondene op zich zelf te beschouwen.

Naast elkaar vindt men in de oblongata:

1. de hypoplasie der achterstrengkernen;

2. woekeringen van het centrale kanaal;

3. de heterotope V-kernen;

4. de angiomateuze tumor in de dakplaat;

5. de abnormale commissuur, die achterstrengen en voorhoornen verbindt.

Het groot aantal afwijkingen, dat we hier in een betrekkelijk klein areaal vinden, noopt als het ware tot het zoeken van één algemeen gezichtspunt, vanwaar uit deze tezamen te begrijpen zijn.

Sluiten