Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij bij zijn groote reeks van onderzoekingen over de digestie heeft gebruikt.

Hij kleurde fibrine aanvankelijk met pikrokarmijn, later met ammoniakale karmijnoplossing. Hiertoe hakte hij fibrine, bevrijd van bloedkleurstof, fijn, bracht deze gedurende eenigen tijd in lU—V2 % ammoniakale karmijnoplossing, die zoo min mogelijk overmaat van ammoniak mocht bevatten, waardoor de fibrine donkerrood gekleurd werd. Nu waschte hij de fibrine met water uit, totdat het waschwater kleurloos bleef. Dan bewaarde hij

de karmijnfibrine in glycerine.

Voor een proef werd karmijnfibrine, door uitwasschen met water, van de glycerine bevrijd, en daarna in 6 maal haar volume aan zoutzuur van 0.1 % gebracht. Van deze gezwollen fibrine deed hij gelijke klompjes in reageerbuisjes, die 10 cM3 0.1 % HC1 bevatten en bracht dan telkens in ieder buisje 1 cM3 maagsap in verschillende verdunningen.

Wanneer de fibrine verteerd wordt, zal karmijn vrij komen en dit zal

de digestievloeistoffen kleuren.

Om de kleur te beoordeelen, vergeleek hij deze met een standaard, bestaande uit 10 reageerbuisjes met een karmijn-glycerineoplossing van

verschillende sterkte.

No. I bevatte: 0.1 cM3 1% karmijnglycerine + 19.9 cM3 water.

„ II „ 0.2 „ „ + 19-8 »

„ X „ 1.0 „ .. + 190 »

Zoo kon hij na bepaalde tijden, om de 5 min, bv., de kleursterkten van de digestievloeistoffen in getallen uitdrukken van I—X.

Door zeer vele onderzoekers is de methode van Griitzner gebruikt o.a. door Partsch,1) Sahli,2) Gehrig,3) Kom, 4) Wojwodoff,5) _ Oguro, °) Pfleiderer,7) Muller.8) Wroblewski9) schatte de kleursterkte op t gezicht, waarbij hij volgens zijn tabellen 13 kleuren onderscheidde. Zoo deed ook Hohmeier10), die 6 kleursterkten wist te onderkennen.

1) Partsch: Beitrage zur Kenntnis des Vorderdarmes etc. Archiv. für Mikrosk. Anatomie. Bd 14 1877 S 181

2) Sahli: Ueber das Vorkommen von Pepsin etc. Pflügers Archiv. Bd. 36. 1885. S.209.

3) Gehrig: Ueber Fermente im Ham. Pflügers Archiv Bd. 38. 1886. S. 35.

4) Kom: Ueber Methoden Pepsin quantitativ etc. Inaug. Diss. Tübingen 1902.

5) Wojwodoff: Ueber die Methoden der Pepsinbestimmung etc. Med. Diss. Berlin. 1907

6) Oguro: Ueber eine Methode etc. Biochem. Zeitschr.Bd. 22. S. 267.

7) Pfleiderer: Ein Beitrag zur Pepsin und Labwirkung. Pflüger's Archiv Bd. 66. S. 617.

8) Maller: Der Einflusz. der Salzsaure etc. Deutsch. Archiv für klin. Med. Bd. 88. 1907. S. 522. id.: Deutsch. Archiv für klin. Med. Bd. 94. 1908. S. 27.

9) Wroblewski: Zur Kenntnis des Pepsins. Zeitschr. für physiol Chemie Bd. 21. S. 1.

10) Hohmeier: Ueber die Aenderungen etc. Med. Diss. Tübingen 1901.

Sluiten