Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelf geeft hij er eene, waarbij in drie generaties 6 gevallen van kanker voorkwamen, op verschillende plaatsen. Tevens vond hij meermalen hetzelfde orgaan in dezelfde familie ziek. (10 maal de uterus, 3 maal de borst) Bij uterus kanker was eene hereditaire belasting meer voorkomend, als de vader ook aan Ca. ziek was, dan van de zijde der moeder.

Ook Lockhart-Mummery: Lancet Bd. 208 S. 427 zag eene familie, waarin 7 leden tusschen 27 en 54 jaar aan Ca. van den dikken darm succombeerden.

Toch meent hij, dat men minstens 10 generaties moet nagaan, om erfelijkheid met zekerheid vast te kunnen stellen.

In zijn „Beitrage zur Kenntnis der erbfamiliaren Krebses". Zentral bl. Gynakol. 1925 No. 8 S. 432 toetst Samter, na bespreking der Amerikaansche statistiek van Little en den Europeeschen arbeid van Levin, de erfelijkheidsvraag aan de hand van drie stamboomen van kankergeslachten. Hij meent uit deze te bewijzen, dat voor Duitschland het bestaan van kankergeslachten is vastgesteld. De kanker verhoudt zich daarbij niet als eene recessieve eigenschap en de tot nu toe genealogische onderzochte „Krebsstamme" vertoonen de ziekte het meest bij het vrouwelijk geslacht.

In den laatsten tijd heeft de studie van het muizen carcinoom zich ook bezig gehouden met het erfelijkheidsvraagstuk. Loeb in Amric. Naturalist Bd. 55 Nr 641 deelt mede, dat elke kankerfamilie een bepaald procent carcinoomlijders, langs den weg der overerving vertoont. Bij de inteelt komt in den regel eene afname van kanker tot stand, die paralel gaat met de verminderde vruchtbaarheid en de verminderde, krachtige ontwikkeling der nakomelingen; deze afname kan ook veroorzaakt worden door uitsterven van bepaalde stammen, of van andere die een zekere weerstand tegen de ziekte vertoonen. Bij kruising van verschillende stammen komen de nakomelingen dichter bij de ouders met hoogere procentische verhoudingen.

In het Journ. of Cancer Research. Bd. 7 No. 2 S. 107 bespreekt Maude Slye de neiging tot de vorming van maligne neoplasmata bij haar zeer uitgebreid muizenmateriaal en stelt daarbij de overgang vast, zoowel als de eigenschap om daarvan verschoond te blijven.

De specificiteit van een weefseltype in een bepaald orgaan wordt op gelijke wijze van de ouders door de nakomelingen geërfd. Uitgaande van de stelling, dat, wat in het kiemplasma, treedt bij de nakomelingen te voorschijn komt, meent zij, dat het slechts eene genetische vraag is, of een individu aan kanker ten offer valt of niet, wijl zij oordeelt, dat men door eene goed gekozen teelt kankertamilies kan kweeken en evenzoo de dispositie tot carcinoom kan bannen.

Ook Asbly: „Cancer" Bd. 1 No. 2 S. 16. zag twee families, waarin bij de eene, vader en moeder en van de 7 kinderen er 5 aan Ca. en bij de andere waar de vader en alle 6 kinderen aan maagkanker stierven.

Sluiten