Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook dan wanneer slechts een vijfde gedeelte terug blijft, geen diabetes behoeft op te treden. Waarbij nog komt, dat na beschadiging der eilandjes een regeneratie dier lichaampjes of een hypertrophie (compensatorisch?) der niet beschadigde eilandjes kan optreden en dientengevolge de werking der eilandjes-beschadiging geneutraliseerd zal worden.

Door velen was nu al de bedenking geopperd, dat men bij diabetici soms geen vermindering, daarentegen zelfs vermeerdering of vergrooting der eilandjes kan constateeren. Heiberg verweert zich hier wel met de opmerking, dat daardoor juist het bewijs voor de eilandjestheorie geleverd wordt, daar regeneratie slechts een gevolg is van den ondergang van eilandjes, maar hij is hier minder konsekwent door zijn hierboven aangehaalde uiting dat o.m. ook regeneratie juist neutralisatie der schadelijke werkingen kan bewerkstelligen. Trouwens worden de door Weichselbaum en anderen beschreven veranderingen der eilandjes bij diabetes volstrekt niet altijd gevonden.

Een andere bedenking zou ik hier ook nog willen opperen. Wij hebben boven gezien, hoe enorm groot de verwoesting in het pancreas kan zijn, zonder dat een blijvende glucosurie of ook zelfs een tijdelijke, optreedt. Zelfs nagenoeg het geheele, in enkele zij het ook spaarzame maar daarom niet minder bewijzende gevallen het totale pancreas kan verwoest, resp. geëlimineerd zijn (Zie bijv. de gevallen VIII, XVI, XX,h, XXIV en XXV, alsmede het geval van Franke.) Al bezit het pancreas ook een groot aantal eilandjes, de graad en de uitbreiding der verwoesting was toch in vele gevallen niet gering. Bovendien, gezien het vaak foudroyante, snel om zich heen slaande, verwoestende verloop zooals bij acute pancreatitis, bij apoplexie, bij necrose, mag men niet verwachten dat het toch vaak zoo kleine, resteerende pancreasstukje geheel ongedeerd uit den storm is te voorschijn getreden. Integendeel. Al zijn de voorwaarden voor de interne secretiefunctie — zij deze dan gebonden aan de eilandjes, of aan de centro-acinaire cellen, zooals o.m. Seijfarth meent, of aan het parenchym of wel aan het pancreas als zoodanig — niet in alles te vergelijken met die der externe secretiefunctie, toch zal de vraag gebillijkt mogen

Sluiten